direct naar inhoud van 3.4 Milieu
Plan: Erica, Ensingwijk ZZ 41
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0114.2010037-0701

3.4 Milieu

In deze paragraaf worden vanuit een duurzame ruimtelijke ordening de voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten beschreven. Aangegeven wordt wat de beperkingen en mogelijkheden in het plangebied zijn, bezien vanuit verschillende milieudisciplines. Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van de (technische) onderzoeken met conclusies.

3.4.1 Bodem

De aanwezigheid van bodemverontreiniging kan gevolgen hebben voor het gebruik van de locatie. Niet alleen kan dit betekenen dat op het perceel gebruiksbeperkingen liggen. Ook kan het zo zijn dat de bodemverontreiniging de bestemming van de locatie in de weg staat. Het nemen van saneringsmaatregelen of het verwijderen van de bodemverontreiniging kan deze belemmering weer opheffen.

Ten aanzien van het bouwperceel is de kwaliteit van de bodem beoordeeld. Er is een vooronderzoek uitgevoerd en een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740. Ten behoeve van de realisatie van het plan is in mei 2010 door Van der Poel verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat op basis van de onderzoeksresultaten er uit milieuhygiƫnische overwegingen in relatie tot de bodemkwaliteit geen belemmeringen zijn ten aanzien van de beoogde nieuwbouw van de loods.

Het bodemonderzoek is opgenomen in de bijlage

3.4.2 Landbouwbedrijven Wet Milieubeheer

Op 6 december 2006 is voor de agrarische sector het Besluit landbouw milieubeheer in werking getreden. Deze algemene maatregel van bestuur (AMvB) is gebaseerd op de Wet milieubeheer (Wm). Bedrijven waarop deze AMvB van toepassing is, zijn niet individueel vergunningsplichtig maar kunnen volstaan met een melding bij het bevoegd gezag.

Het akkerbouwbedrijf van Hospers BV valt onder de werkingssfeer van deze AMvB. Dat betekent dat deze melkveehouderij dient te voldoen aan de algemene voorschriften die zijn opgenomen bij deze AMvB. Voor wat betreft de diverse aspecten kan het akkerbouwbedrijf aan de AMvB voldoen, behalve qua geluid. Hiervoor zijn extra maatvoorschriften noodzakelijk. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 3.4.3.

3.4.3 Geluid

Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid.

Op 6 december 2006 is voor de agrarische sector het Besluit landbouw milieubeheer in werking getreden. Deze algemene maatregel van bestuur (AMvB) is gebaseerd op de Wet milieubeheer (Wm). Bedrijven waarop deze AMvB van toepassing is, zijn niet individueel vergunningsplichtig maar kunnen volstaan met een melding bij het bevoegd gezag. Een akkerbouwbedrijf valt onder de werkingssfeer van de AMvB.

Ten aanzien van maatvoorschriften is bij de aanvraag een akoestisch onderzoek van Peutz BV bijgevoegd. Het onderzoek gaat in op een representatieve bedrijfssituatie en een incidentele bedrijfssituatie. Uit het onderzoek blijkt dat met name de transportbewegingen van de diverse voertuigen de piekwaarden behalen. Dit betekent dat de maatvoorschriften in kader van de melding zijn opgenomen en in kader van deze melding mogelijkheden tot handhaving bestaan.

Geconcludeerd kan worden dat in kader van deze planologische procedure kan worden voldaan aan de eis om een technisch haalbaar plan in procedure te brengen.

3.4.4 Luchtkwaliteit

De Wet luchtkwaliteit heeft als doel om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging tegen te gaan. Anderzijds geeft de wet mogelijkheden voor het creeren van ruimtelijke ontwikkelingen.

De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Grote projecten zoals bedrijventerreinen of infrastructuur dragen juist wel bij 'in betekende mate' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het begrip 'in betekende mate' doelt op een bepaalde norm van fijn stof en stikstofdioxide welke bij overschrijding een negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. Eveneens een belangrijk onderdeel van het instrumentarium is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.

In de Wet Milieubeheer is indirect een koppeling gelegd met ruimtelijke plannen. Deze koppeling houdt in dat bij het voorbereiden van ruimtelijke plannen, waaronder het bestemmingsplan, de luchtkwaliteit moet worden betrokken in de afwegingen. In de Wet Milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen welke het niveau aangeven van de buitenluchtkwaliteit dat op een bepaald moment zoveel mogelijk moet zijn bereikt of in stand moet worden gehouden. Om te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarin grenswaarden worden overschreden of bestaande overschrijdingen toenemen, moet bij het opstellen van ruimtelijke plannen getoetst worden aan de grenswaarden. Een eventuele toename of overschrijding van deze waarden kan als consequentie hebben dat bepaalde nieuwe ontwikkelingen niet mogelijk zijn.

Omdat de ontwikkelingen in het plangebied geen significante verandering van de verkeersbewegingen met zich mee brengen, zal de concentratie van de NOx en fijnstof niet veranderen. Hierdoor betekent de luchtkwaliteit geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.