direct naar inhoud van 3.4 Milieu
Plan: Landgoed Scholtenszathe, Scholtenskanaal OZ 72
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0114.2010031-0701

3.4 Milieu

In deze paragraaf worden vanuit een duurzame ruimtelijke ordening de voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten beschreven. Aangegeven wordt wat de beperkingen en mogelijkheden in het plangebied zijn, bezien vanuit verschillende milieudisciplines. Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van de (technische) onderzoeken met conclusies.

3.4.1 Bodem

De aanwezigheid van bodemverontreiniging kan gevolgen hebben voor het gebruik van de locatie. Niet alleen kan dit betekenen dat op het perceel gebruiksbeperkingen liggen. Ook kan het zo zijn dat de bodemverontreiniging de bestemming van de locatie in de weg staat. Het nemen van saneringsmaatregelen of het verwijderen van de bodemverontreiniging kan deze belemmering weer opheffen.

Ten behoeve van de realisatie van het plan is in april 2010 door Sigma Bouw & Milieu verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat op basis van de onderzoeksresultaten er uit milieuhygiƫnische overwegingen in relatie tot de bodemkwaliteit geen belemmeringen zijn ten aanzien van de beoogde nieuwbouw van de landbouwschuur.

Het bodemonderzoek is opgenomen in de bijlage.

3.4.2 Geluid

Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid.

Op 6 december 2006 is voor de agrarische sector het Besluit landbouw milieubeheer in werking getreden. Deze algemene maatregel van bestuur (AMvB) is gebaseerd op de Wet milieubeheer (Wm). Bedrijven waarop deze AMvB van toepassing is, zijn niet individueel vergunningsplichtig maar kunnen volstaan met een melding bij het bevoegd gezag. Een akkerbouwbedrijf valt onder de werkingssfeer van de AMvB. Er kan voldaan Door de gemeente is geconcludeerd dat voldaan kan worden aan het Besluit landbouw.Vanwege de benodigde bestemmingsplanwijziging is mede getoetst of uiteindelijk voldaan kan worden aan de aanvullende geluidseisen van de Handreiking industrielawaai. Hiervoor is naast het akoestisch onderzoek (d.d. 23 april 2010) ook een aanvullend onderzoek uitgevoerd door Stroop Raadgevend Ingenieurs BV te Leek (d.d. 1 juni 2010)

Uit het akoestisch onderzoek en de aanvulling daarop blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (van alle geluidssbronnen) in de toekomstige situatie op geen enkel ontvangerpunt toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan daarom geconcludeerd worden dat de geplande wijziging geen akoestisch nadelige gevolgen heeft. De geluidbelasting neemt op veel ontvangerpunten juist af door een betere afscherming in de vorm van bedrijfsloodsen en door verplaatsing van activiteiten. Tevens wordt voldaan aan de geluidsnormen uit het Besluit landbouw.

Het geluidsonderzoek en de aanvulling van Stroop zijn opgenomen in de bijlage.

3.4.3 Lucht

De Wet luchtkwaliteit heeft als doel om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging tegen te gaan. Anderzijds geeft de wet mogelijkheden voor het creeren van ruimtelijke ontwikkelingen.

De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Grote projecten zoals bedrijventerreinen of infrastructuur dragen juist wel bij 'in betekende mate' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het begrip 'in betekende mate' doelt op een bepaalde norm van fijn stof en stikstofdioxide welke bij overschrijding een negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. Eveneens een belangrijk onderdeel van het instrumentarium is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen het NSL werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.

In de Wet Milieubeheer is indirect een koppeling gelegd met ruimtelijke plannen. Deze koppeling houdt in dat bij het voorbereiden van ruimtelijke plannen, waaronder het bestemmingsplan, de luchtkwaliteit moet worden betrokken in de afwegingen. In de Wet Milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen welke het niveau aangeven van de buitenluchtkwaliteit dat op een bepaald moment zoveel mogelijk moet zijn bereikt of in stand moet worden gehouden. Om te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarin grenswaarden worden overschreden of bestaande overschrijdingen toenemen, moet bij het opstellen van ruimtelijke plannen getoetst worden aan de grenswaarden. Een eventuele toename of overschrijding van deze waarden kan als consequentie hebben dat bepaalde nieuwe ontwikkelingen niet mogelijk zijn.

Omdat de ontwikkelingen in het plangebied geen significante verandering van de verkeersbewegingen met zich mee brengen, zal de concentratie van de NOx en fijnstof niet veranderen. Hierdoor betekent de luchtkwaliteit geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.