direct naar inhoud van 4.1 Ontstaansgeschiedenis
Plan: Emmen, Centrum-Oost
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0114.2010040-0703

4.1 Ontstaansgeschiedenis

De eerste historische vermelding van Emmen dateert uit 1139. In deze vermelding is sprake van een hofboerderij, in diverse oude teksten afwisselend aangeduid als "Hoofdhof", "Edele Hof", "Heerenhoff", "Honningshof" (de Leeuw, 2000). Ook de term 'Saalhof' is te vinden in oude teksten. Vermoedelijk slaat deze term niet op de hofboerderij, maar op een boerderij waaronder spiekertjes - keldertjes - waren gegraven. De Saalhof lag vermoedelijk tussen de huidige Wilhelminastraat, Julianastraat, Kerkhoflaan en Molenstraat. In de 19e eeuw is het tweemaal onderzocht, maar de resterende documentatie hiervan is beperkt: op basis van de onderzoeksgegevens moet het gaan om een gebied ter grootte van een voetbalveld, dat met twee wallen en twee grachten is omgeven. Op deze locatie lag vroeger het inmiddels verdwenen hunebed D44a (van Vilsteren, 2010: p. 207).
De boerderij was mogelijk één van de drie boerderijen nabij de hofboerderij die in historische documenten uit de 14e eeuw worden genoemd (G. van der Veen, Stichting Archeologie en Monument). De bisschoppelijke hof lag ongeveer 200 m westnoordwestelijk van de kerk (van Vilsteren, 2010: p. 205).
De locatie van een hofboerderij in Emmen is niet toevallig, aangezien Emmen de eerste plaats in de regio was met een eigen kerkgebouw. Naast sporen van de houten voorgangers liggen onder de Grote Kerk aan de Hoofdstraat ook de fundamenten van een in 1228 gebouwde stenen kerk en diens opvolger, gebouwd in 1456 en grotendeels gesloopt in 1855. Tegenwoordig resteert alleen nog een deel van de oorspronkelijke toren.
Het esdorp Emmen is van middeleeuwse oorsprong (AMK 14506). Het ontstaan heeft zij waarschijnlijk te danken heeft aan een bisschoppelijke hof die zich hier in de Middeleeuwen heeft bevonden (bron: www.historisch-emmen.nl). De omgeving van Emmen op een historische kaart uit het begin van de 19e eeuw bevat alle kenmerkende onderdelen van het Drents esdorpenlandschap, figuur 4.1. Ten westen van het dorp bevindt zich een tweetal essen, de bij het dorp horende collectieve bouwlanden: de 'Schimmeresch' en de 'West nesch'. Essen werden in de regel opgehoogd met mest uit de potstal, waarin de schapen verbleven. Als een gevolg hiervan lag de es op den duur als een verhoogd, enigszins bol terrein in het landschap. Het vee graasde overdag op de heide, het veld. Het Emmer Veld strekte zich ten noorden van het dorp uit. Ten oosten van Emmen kan het 'Emmer zand' worden onderscheiden. Op een militairtopografische kaart van het eind van de 18e eeuw is dit gebied ook al getransformeerd tot een stuifzandgebied (Versfelt 2003). De meerderheid van de stuifzandgebieden ontstond vanaf de Middeleeuwen als gevolg van een te grote druk die de mens op het landschap uitoefende (Berendsen 2005). Voor de Drentse zandgronden zullen met name overbegrazing en het afplaggen van heidevelden tot het ontstaan van zandverstuivingen hebben geleid. Een netwerk van zandpaden verbindt Emmen met de omringende esdorpen.Bijlage 7 SWO analyse en visie Emmermeer en centrum.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.2010040-0703_0020.png"

Figuur 4.1: Emmen op historisch kaart, begin 19e eeuw.

Het merendeel van het plangebied ligt in een laagte tussen twee de twee uitlopers van de Hondsrug, uitgezonderd ten noorden van de huidige Wolfsbergenweg. Historisch lag ten westen van het plangebied het hoger gelegen esdorp Emmen met de Emmer- en Schimmeres. Tussen de es en het plangebied lag het voormalige Emmermeer, waar de huidige wijk Emmermeer naar is vernoemd. Direct ten oosten van het plangebied lag het hoger gelegen Emmerdennen. Dit gebied was voorheen een sterk geaccidenteerd terrein met heidevelden en grote delen stuifzand. Ten zuiden van het plangebied lag het, eveneens lager gelegen, Bargermeer. In het lager gelegen deel van het plangebied was in het verleden, evenals bij het Emmermeer en het Bargermeer, sprake van natte omstandigheden. Reden dan ook dat het plangebied, in tegenstelling tot de omgeving, lange tijd onbewoond is geweest.
Bijzonder in de geschiedenis van het plangebied is het detail dat de Hottingeratlas uit 1774 - 1794 de Molenkamp al weergeeft. Het was in die tijd een kampje omzoomd door bomen. De contouren van de huidige Molenkamp zijn zeer goed herkenbaar. De Hottingeratlas van 1773 - 1794 geeft eveneens een aantal doorgaande wegen weer die tot op de dag van vandaag nog aanwezig zijn. Dit betreft de huidige Weerdingerstraat, een historische verbindingsweg richting Weerdinge. Daarnaast is de huidige Angelsloërstraat en Angelsloërdijk een historische verbindingsroute richting het voormalige Angelslo en Barger-Oosterveld.

Voor de ontwikkeling van het plangebied hebben twee zaken een rol gespeeld. De eerste betrof het opheffen van de markewet in 1886, waardoor een einde kwam aan het systeem van gemeenschappelijk bezit van de markegronden. Zowel voor als na dit jaar zijn alle gemeenschappelijke gronden verdeeld. Dit betekende dat ook de gronden in het plangebied zijn verdeeld. Daarnaast is een tweede ontwikkeling voor de ontginning van het gebied van belang geweest, namelijk de aanleg van het Oranjekanaal. Nadat het Oranjekanaal in de periode 1853 - 1861 tot de Bladderswijk was aangelegd zijn het Emmermeer en het Bargermeer drooggelegd en is gestart met de ontginning van zowel deze twee meren als het plangebied. De kadastrale kaart van 1880 van het gebied dat tot de voormalige marke van Emmen en Westenesch hoorde laat zien dat een gedeelte is verkaveld en een deel nog steeds woeste grond is. De kadastrale kaart laat de kampontginningen de Molenkamp, De Veenkamp en Ensingkamp zien. Deze ontginningstructuren zijn tot op de dag van vandaag herkenbaar.

Karakteristiek voor de ontginningsstructuur van het lager gelegen zuidelijk deel van het plangebied is dat het veel kenmerken heeft van de structuur van een beekdalontginning, en dan vooral op de hoger gelegen beekdalgronden. Evenals op beekdalgronden is het plangebied ontgonnen door middel van smalle kavels met slootjes, bomenrijen en houtwallen als kavelgrenzen en her en der opgaande bosjes. Het land is voornamelijk in gebruik als weiland en daar waar de omstandigheden het toelieten (minder nat) als bouwland. In dit deel van het plangebied is in 1900 sprake van een kleinschalig agrarisch landschap met enkele behuizingen. Hoewel in de loop van de 1e helft van de vorige eeuw houtwallen zijn gekapt, kavels zijn samengevoegd, enkele straten zijn aangelegd (Prinsen- en Prinsesselaan) en er enige verdichting langs de Oosterstraat, Angelsloërdijk en Parallelweg plaatvond, heeft dit gebied tot 1955 het kleinschalige agrarische karakter behouden. Karakteristiek is dan ook de minder planmatige geleidelijke groei.
De kaart van 1900 (bijlage 4) geeft ook goed de verschillende bodemkundige omstandigheden van het gebied ten zuiden en ten noorden van de Molenkamp c.q. Boslaan weer. Het hoger gelegen gebied ten noorden van de Molenkamp is in 1900 nog niet in ontginning. Dit gebied is gedeeltelijk na 1910 maar vooral na 1929 ontgonnen en heeft de grootschaliger, blokvormige ontginningsstructuur van de heideontginningen uit de eerste helft van de vorige eeuw. Gegeven het latere tijdstip hebben deze stadsuitbreidingen ook een planmatiger, blokvormiger karakter. In de jaren dertig van de vorige eeuw is de Molenkamp als geheel met bebouwing ingericht. In de periode 1929 - 1955 zijn bovendien enkele blokken tussen de Sparrenlaan en Weerdingerstraat gebouwd. Deze blokvormige stadsuitbreidingen zijn vergelijkbaar met de stadsontwikkeling van de aanpalende wijk Emmermeer. De invulling van deze wijk vond bloksgewijs plaats op terreinen die min of meer 'toevallig' in eigendom waren of aangekocht door de gemeente. Van een totaalvisie op een landschappelijke inpassing van een wijk is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de later gebouwde wijk Bargeres, geen sprake geweest. Datzelfde geldt voor het plangebied. In de jaren '40 vond planvorming nog plaats onder verantwoordelijkheid van de Provinciale Planologische Dienst. Deze was voorstander van homogene kernen met daarin een directe relatie met het centrum. Het noordelijk deel van het plangebied paste in die visie. De (zand)paden- en verkavelingstructuur van de heideontginning bood een logisch en pragmatisch uitgangspunt voor de verkaveling. Evenals in het zuidelijk gedeelte van het plangebied is ook in het noordelijk deel de voormalige paden- en verkavelingstructuur tot op de dag van vandaag gedeeltelijk aanwezig.
In de periode 1955 - 1965 is het plangebied veranderd van een landelijk, agrarisch gebied naar een stedelijke omgeving met relatief veel voorzieningen die het wijkniveau overstijgen zoals bijvoorbeeld een ziekenhuis, sportterrein en (hoge)scholen. Sommige van deze voorzieningen zijn later verplaatst (ziekenhuis) of verdwenen (sportterrein). Hier zijn andere bovenwijkse voorzieningen zoals een hotel en theater voor in de plaats gekomen.
In dezelfde periode ontstond tussen het spoor en de Weerdingerstraat een kantoren- c.q. bedrijfsterrein. In de periode 1965 - 1975 zijn grote infrastructurele werken uitgevoerd, zoals de aanleg van de Van Schaikstraat en de Boermarkeweg, die niet zijn gebaseerd op aanwezige paden- of kavelstructuur. Deze manier van infrastructurele inrichting sluit nauw aan bij de vigerende denkbeelden uit die tijd. Na 1975 hebben enkele verplaatsingen, vervangingen c.q herinrichtingen plaatsgevonden waarbij de bestaande stedenbouwkundige structuur c.q. stratenpatroon, intact is gebleven. (Bron: Bijlage 5 Ruimtelijke structuren Emmen, Centrum oost)