direct naar inhoud van Artikel 10 Bedrijventerrein
Plan: Emmer-Compascuum
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0114.2009038-0703

Artikel 10 Bedrijventerrein

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Bedrijventerrein aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven in de milieucategorie├źn 1 en 2, zoals bedoeld in de bijgevoegde staat van inrichtingen bedrijventerrein, bijlage 2, ter plaatse van de aanduiding bedrijf tot en met categorie 2, uitgezonderd zijn detailhandel, risicovolle inrichtingen met een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 / jaar en geluidzoneringsplichtige inrichtingen, zoals bedoeld in het Inrichting- en vergunningenbesluit milieubeheer en vuurwerkbedrijven;
  • b. bedrijven in de milieucategorie├źn 1, 2, en 3, zoals bedoeld in de bijgevoegde staat van inrichtingen bedrijventerrein, bijlage 2, ter plaatse van de aanduiding bedrijf tot en met categorie 3, uitgezonderd zijn detailhandel, risicovolle inrichtingen met een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 / jaar en geluidzoneringsplichtige inrichtingen, zoals bedoeld in het Inrichting- en vergunningenbesluit milieubeheer en vuurwerkbedrijven;
  • c. verkooppunt motorbrandstoffen met lpg uitsluitend ter plaatse van de aanduiding verkooppunt motorbrandstoffen met lpg;
  • d. vuurwerkopslag en verkooppunt ter plaatse van de aanduiding specifieke vorm van bedrijventerrein - verkooppunt van vuurwerk;
  • e. brandweerkazerne ter plaatse van de aanduiding brandweerkazerne;
  • f. bedrijfsgebouwen;
  • g. bedrijfswoning met bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding bedrijfswoning;
  • h. in afwijking van het bepaalde in artikel 10.1 onder a en b is de uitsluiting van detailhandel niet van toepassing op:
    • 1. detailhandel van ter plaatse vervaardigde goederen, niet zijnde levensmiddelen, kleding, schoeisel en huishoudelijke artikelen;
    • 2. goederen in een onderneming, waarin een nijverheids en/of ambachtsbedrijf wordt uitgeoefend, mits de uitoefening van dit nijverheids- en/of ambachtsbedrijf een wezenlijk bestanddeel van de totale bedrijfsuitoefening in de onderneming uitmaakt en de detailhandel in die goederen geschiedt zowel ter plaatse waar dat bedrijf wordt uitgeoefend als, gelet op de aard van die goederen, in rechtstreeks verband met de uitoefening van dit bedrijf;
    • 3. detailhandel in ABC goederen (Auto's, Boten, Caravans) en bijhorende accessoires mits het verkoopvloeroppervlak (netto) per vestiging niet minder bedraagt dan 1000 m2;
    • 4. detailhandel in tenten, tentonderdelen en aanverwante artikelen mits het verkoopvloeroppervlak (netto) per vestiging niet minder bedraagt dan 1000 m2;
    • 5. detailhandel in landbouwwerktuigen, landbouwmachines, ander machinerie├źn en aanverwante artikelen mits het verkoopvloeroppervlak (netto) per vestiging niet minder bedraagt dan 1000 m2;
    • 6. detailhandel in brandbare en/of gevaarlijke stoffen mits het verkoopvloeroppervlak (netto) per vestiging niet minder bedraagt dan 1000 m2;
    • 7. detailhandel in grove bouwmaterialen mits het verkoopvloeroppervlak (netto) per vestiging niet minder bedraagt dan 1000 m2.

met bijbehorende:

  • i. andere bouwwerken;
  • j. tuin, erven;
  • k. fiets- en voetpaden;
  • l. toegangswegen in- en uitritten;
  • m. parkeervoorzieningen;
  • n. groenvoorzieningen;
  • o. geluidswerende voorzieningen;
  • p. kunstwerken en waterwerken;
  • q. nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen;
10.2 Bouwregels
10.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. ter plaatse van de maatvoeringaanduiding bebouwingspercentage terrein (%) staat het maximale bebouwingspercentage per bouwperceel aangegeven, indien geen bebouwingspercentage is aangegeven mag het bouwperceel 100% bebouwd worden;
  • c. ter plaatse van de maatvoeringaanduiding bouwhoogte mag de bouwhoogte van het gebouw niet meer bedragen dan is aangegeven, danwel de bestaande bouwhoogte indien geen of een andere dan de bestaande bouwhoogte is aangegeven;
  • d. de afstand van een gebouw tot de zij- en achtererfscheiding, mag niet minder dan 3 meter bedragen;
  • e. de onderlinge afstand tussen gebouwen, behorend tot hetzelfde bouwperceel, mag niet minder dan 5 meter bedragen;
  • f. ter plaatse van de aanduiding bedrijfswoning dient de oppervlakte van het bedrijfsgebouw minimaal 150 m2 te zijn;
  • g. indien op de verbeelding een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 / jaar is aangegeven, zijn binnen die risicocontour geen kwetsbare en/of beperkt kwetsbare objecten toegestaan;
10.2.2 Bedrijfswoning

Voor het bouwen van een bedrijfswoning gelden de volgende bepalingen:

  • a. ter plaatse van de aanduiding bedrijfswoning is per bedrijf maximaal 1 bedrijfswoning toegestaan;
  • b. de oppervlakte van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 150 m2;
  • c. de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag maximaal 5,5 meter bedragen;
  • d. een bedrijfswoning dient plat afgedekt te worden;
  • e. per bouwperceel dient 7% van de perceelsgrootte als groen te worden ingericht, bij aanwezigheid van een bedrijfswoning dient dit 15% te zijn
  • f. de toegestane oppervlakte buitenopslag bedraagt 15% van de perceelsgrootte. Deze opslag dient niet zichtbaar te zijn vanaf de wegzijde;
  • g. de inrit naar elke perceel dient maximaal 6,5 meter breed te zijn.
10.2.3 Andere bouwwerken

Voor het bouwen van andere bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevel van het hoofdgebouw, mag maximaal 1 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de gevellijn maximaal 2 meter mag bedragen;
  • b. de bouwhoogte van andere bouwwerken, mag maximaal 6 meter bedragen;
  • c. in afwijking van het bepaalde in artikel 10.2.3 onder b mag de bouwhoogte van antennes, silo's, werktuigen, (proces) installaties en andere die hiermee qua aard zijn te vergelijken, maximaal 12 meter bedragen;
10.3 Nadere eisen
10.3.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, wat betreft:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. cultuurhistorie;
  • d. verkeersveiligheid;
  • e. sociale veiligheid;
  • f. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • g. milieusituatie;
  • h. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.
10.4 Afwijken van de bouwregels
10.4.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 10.2.1 onder c en toestaan dat de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw wordt verhoogd, dit tot een maximum van 9 meter;
  • b. artikel 10.2.1 onder a en toestaan dat gebouwen gerealiseerd mogen worden buiten het bouwvlak, mits de afstand van een gebouw tot de grens van de weg niet minder dan 5 meter gaat bedragen;
  • c. artikel 10.2.1 onder d en toestaan dat gebouwen op de zij- en/of achtererfscheiding mogen worden opgericht;
  • d. artikel 10.2.1 onder e en toestaan dat gebouwen dichter op elkaar worden opgericht dan minimaal is voorgeschreven, met dien verstande dat de onderlinge afstand niet minder dan 1 meter mag bedragen;
10.4.2 Beperking

De toepassing van de in artikel 10.4.1 genoemde afwijkingen is beperkt tot incidentele gevallen, waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om een omgevingsvergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet verleend;

10.5 Afwijken van de gebruiksregels
10.5.1 Bevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 10.1 onder a en b en toestaan dat andere bedrijven, die in aard en omvang gelijk zijn aan de milieucategorie van de bedrijven weergegeven op de bijgevoegde Staat van inrichtingen (bijlage 2), zich mogen vestigen binnen de voor Bedrijventerrein (BT) bestemde gronden met uitzondering van detailhandelsbedrijven, bedrijven met een risicocontour van 10-6/jaar geluidzoneringsplichtige inrichtingen, zoals bedoeld in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en vuurwerkbedrijven;
  • b. artikel 10.1 onder a en b voor de oprichting of vestiging van een (grootschalig) detailhandelsbedrijf in:
    • 1. bouwmaterialen en andere naar de aard en omvang hiermee gelijk te stellen voor doe-het-zelf bestemde artikelen;
    • 2. goederen ter inrichting en stoffering van woon- en slaapkamers als meubels, bedden, gordijnen, tapijten en andere naar aard en omvang hiermee gelijk te stellen voor bewoning bestemde artikelen;
    • 3. keuken-, sanitair- en tegelbedrijven als zelfstandige zaken;
    • 4. producten en gewassen voor het inrichten en onderhouden van tuinen;

met dien verstande dat voor afwijking enkel in aanmerking komen die bedrijven die door verplaatsing binnen de kern een wezenlijke bijdrage leveren aan de verbetering van de leefbaarheid van het centrumgebied en/of de bereikbaarheid en het te verplaatsen verkoopvloeroppervlak per te verplaatsen vestiging minimaal 1000m2 bedraagt;

10.5.2 Beperking

De toepassing van de in artikel 10.5.1 genoemde afwijkingen is beperkt tot incidentele gevallen, waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om een omgevingsvergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet verleend;