direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Weerdingerkanaal ZZ 68 Nieuw-Weerdinge
Status: concept
Plantype: Omgevingsvergunning
IMRO-idn: NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Er is een aanvraag om een omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan ingediend voor het bouwen van een overdekte uitloop op het perceel Weerdingerkanaal ZZ 68 in Nieuw-Weerdinge aan een bestaande pluimveestal, gedeeltelijk buiten het bouwvlak. De uitbreiding past niet binnen het bouwvlak. Bouwwerk overschrijdt aan de zuidwestkant aan de zuidkant met een groot deel het bouwvlak (105 m lang en 8 meter diep).

Op 16 augustus 2022 is de aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de volgende onderdelen:

  • Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening(afwijken bestemmingsplan vanwege bouwen buiten bouwvlak);
  • Bouwen;
  • Milieuneutrale wijziging voor het onderdeel milieu. In de begeleidende brief van 9 februari 2023 bij de ingediende aanvulling van 8 februari 2023 is dit onderdeel gewijzigd in een aanvraag omgevingsvergunning beperkte milieutoets(obm).

Ook wordt er voor de uitbreiding van het bedrijf het het perceel landschappelijk ingepast.


afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0001.png"

Figuur 1.1: Locatie plangebied in omgeving (rode x).

Op 30 januari 2020 is een omgevingsvergunning verleend met kenmerk 70671-2019 voor het bestaande akkerbouw-en pluimveebedrijf op de locatie Weerdingerkanaal ZZ 68 te Nieuw-Weerdinge. Vergunning is verleend voor het houden van 47.000 vleeskuikens. In de vergunde situatie is sprake van een overbelaste geurhindersituatie.

Er is op 16 augustus 2022 een verzoek ingediend ingediend om de bestaande pluimveestal over de volle lengte van 105 m te voorzien van een overdekte uitloop met een breedte van 8 m. De uitloop omvat ongeveer 30% van het staloppervlak. Het aantal dieren wordt terug gebracht naar 40.000 vleeskuikens. Er is in deze bedrijfsopzet sprake van een meldingsplicht in het kader van het Activiteitenbesluit en een vergunningplicht beperkte milieutoets (obm) voor het onderwerp luchtkwaliteit en mer-beoordeling. Het aantal vleeskuikens past binnen de geldende Wnb-vergunning. De oppervlakte wordt vergroot met 520 m2. De bestaande oppervlakte blijft niet gehandhaafd en is daarmee in strijd met het bestemmingsplan. Bij de gemeente Emmen is deze aanvraag ingeboekt als zaak 265244-2022 (Bijlage 1). Bij de RUD is deze geregistreerd onder nummer 2022-015867.

Aan de huidige pluimveestal worden zogenaamde 'wintergarten' gerealiseerd (een overdekte uitloop). Het totale staloppervlak wordt in de nieuwe situatie (incl. wintergarten) binnen een bebouwd oppervlak ("bouwvlak" waarbinnen de bebouwing is gelegen) van 1,5 ha (inclusief landschappelijke inpassing en overige erfinrichting). Korte beschrijving wijzigingen (in hoofdlijnen):

  • Het realiseren van overdekte uitloop (wintergarten) aan de bestaande kuikenstal
  • Het aantal vleeskuikens in de stal wordt verminderd van 47.000 naar 40.000 stuks
  • Het doorvoeren van (welzijnsvriendelijke)wijzigingen in de bedrijfsopzet
  • Het optimaliseren van de bedrijfsvoering en actualiseren van de vergunning

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0002.png"

Figuur 1.2. Huidige situatie

De bijbehorende verbeelding met het besluitvlak heeft het nummer NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301. De ontwerp- Omgevingsvergunning is bijgevoegd als Bijlage 8 met Bijlage 9 van deze ruimtelijke onderbouwing en de definitieve versie als besluitdocument/vaststellingsbesluit bij de digitale versie.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie, beleid en planologische regeling

2.1 Ligging en huidige situatie

Deze ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op het perceel Weerdingerkanaal ZZ 68 te Nieuw-Weerdinge. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Emmen, sectie AC nummers 1132, en gedeeltelijk 1027 en 133 gedeeltelijk (uitbreidingslocatie).

Het perceel is gelegen tussen Nieuw-Weerdinge en Weerdinge, ten noorden van Emmen, ten westen van Nieuw-Weerdinge. In de directe omgeving zijn hoofdzakelijk woningen gevestigd en een enkel agrarisch bedrijf. Het perceel is gelegen ten noorden van de weg N364 (Emmen - Nieuw-Weerdinge). De meest nabijgelegen woningen van derden (nr. 67 en 71) bevinden zich op ca. 15 m van het bedrijfsperceel, echter is de uitbreiding van de stal gelegen op 115 meter van de dichtsbijzijnde woning (nr. 67).

Korte beschrijving activiteiten

  • Het exploiteren van een agrarisch bedrijf // veehouderij: grondgebonden akkerbouwbedrijf met neventak in de vorm van pluimvee
  • Het houden van vleeskuikens
  • Het opslaan van:

- akkerbouwproducten (aardappels, granen, zaai- en pootgoed etc.)

- veevoeder

- vaste mest in de kuikenstal

- medicijnen ten behoeve van de diergezondheid

- reinigingsmiddelen ter preventie van dierziekten

- bestrijdingsmiddelen (onkruid- en ongediertebestrijding)

- dieselolie in een tank in een lekbak

- smeerolie / afgewerkte olie in vaten in lekbak

- strooisel / hooi en stro

  • Het in gebruik hebben van:

- opslag / bewaarplaatsen voor akkerbouwproducten / aardappels

- stalruimte voor het houden van vleeskuikens

- een werktuigenberging / werkplaats / opslag

- werktuigenbergingen voor machines en werktuigen

- een bedrijfswoning

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0003.png"

Figuur 2.1: Luchtfoto met bestaande uitbreiding bouwvlak.

Initiatiefnemer heeft de wens het bedrijf verder te verduurzamen en toekomstbestendig in te richten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0004.png"

Figuur 2.2: Luchtfoto met bestaande bebouwing en gewenste uitbreiding met uitloop

2.2 Beleid en planologische regeling

2.2.1 Structuurvisie gemeente Emmen 2020, Veelzijdigheid troef

Structuurvisie Emmen 2020, Veelzijdigheid Troef, is 24 september 2009 vastgesteld door de raad. Het document is opgesteld als ruimtelijke vertaling van de ambities gesteld in de Strategienota Emmen 2020, vastgesteld in de raadsvergadering van september 2001. De structuurvisie geeft de hoofdlijnen van de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Emmen weer. Tevens dient de structuurvisie om bedrijven, instellingen en andere overheden te stimuleren om passende, gewenste activiteiten en investeringen te doen die aansluiten op de weergegeven ambities en ruimtelijke mogelijkheden. In de structuurvisie wordt de ruimtelijke structuur van 2020 geschetst aan de hand van een aantal thema's, te weten landschap, duurzaamheid, verkeer, werken, wonen, voorzieningen en veiligheid. Voor ieder thema is een hoofdkoers bepaald.

In de omgeving waarin het voorliggend plan Buitengebied, Weerdingerkanaal ZZ 68 Nieuw-Weerdinge, NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301 wordt gerealiseerd zijn de thema's Landschap en Werken van belang.

Landschap

Versterken van het landschap door in te zetten op bebossing van de Hondsrug, het vrijwaren van de steilrand, het koesteren van de openheid, de herkenbaarheid van de kanalenstructuur te vergroten, de beekdalen te herstellen en het gebruik van de essen te vergroten.

Werken

De koers voor de landbouw is gericht op een mogelijke schaalvergroting dat plaats dient te vinden binnen de structuur van het huidige landschap. In de structuurvisie wordt landbouw aangewezen als drager van het landschap. Het grondgebied van Emmen is daarbij onderverdeeld in 4 deelgebieden waarvoor een aantal koersen waar het gaat om landbouwontwikkeling is weergegeven. Het plangebied bevindt zich binnen deelgebied A: de Monden. Dit deelgebied ligt in het noordoosten van de gemeente Emmen waarbij het hoge aandeel akkerbouw en geringe stedelijke druk kenmerkend zijn. In deelgebied A wordt, afhankelijk van de kansen voor schaalvergroting, landbouw zo veel mogelijk gefaciliteerd. Dit kan betekenen dat de verkaveling of bouwblokken ‘vergroot’ worden. Het Veenkoloniale deel van de gemeente is het meest geschikt voor de grootschalige agrarische bedrijfsvormen. In de grootschalige gebieden krijgt de landbouw voldoende mogelijkheden om op te schalen. Nieuwbouw c.q. vestiging in de als waardevol aangemerkte open ruimte is in principe alleen mogelijk indien er een ruimtelijke en economische meerwaarde is.

Verder wordt aangegeven dat de belangrijkste uitgangspunten en ontwikkelingsprincipes voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Emmen bestaan uit:

  • Kwaliteit voor kwantiteit. Centraal staat een verschuiving van kwantiteit naar kwaliteit.
  • Keuze voor een duurzame inrichting van de ruimte. Wijzigingen in de ruimtelijke opbouw worden geënt op de zogenaamde lagenbenadering;
  • Rekening houden met de klimaatverandering.

2.2.2 Ruimtelijke Waardenkaart

De Ruimtelijke Waardenkaart (Bosch & Slabbers, 2008) belicht de aardkundige, archeologische, ecologische, hydrologische, cultuurhistorische en de landschappelijke waarden, evenals de monumenten van het buitengebied van de gemeente Emmen. De kaart is opgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan Buitengebied 2011, hierdoor ligt het accent op de waarden in buitengebied, maar komen de in het onderliggende waarden in de kernen ook aan bod. Daarnaast reikt de ruimtelijke waardenkaart concrete handvatten voor de ontwikkeling van het landschap aan. Het rapport geeft aan met welke aspecten in de planvorming rekening dient te worden gehouden. De gemeente ziet de ruimtelijke waardenkaart als een aanzet tot een nader te bepalen ontwikkelingskader. De ruimtelijke waardenkaart is een interne beleidskader, welke richting geeft aan de inrichting van een gebied. De ruimtelijke waardenkaart hangt samen met regelingen op de gebieden als flora en faunabescherming, archeologie, monumenten. Vastgestelde waarden binnen deze gebieden vinden hun juridische bescherming binnen de specifieke wettelijke kaders. In de RWK zijn de waarden op deze gebieden dan ook niet "opnieuw" vastgesteld maar in woord en beeld met elkaar in verband gebracht." In het uitvoeringsprogramma behorende bij de Structuurvisie gemeente Emmen 2020, Veelzijdigheid troef is de Ruimtelijke waardenkaart opgenomen. In september 2011 is de Ruimtelijke waardenkaart vastgesteld door de gemeenteraad. De ruimtelijke waardenkaart kent drie onderdelen:

  • 1. In beeld brengen ontwikkelingsgeschiedenis
  • 2. Vastleggen van de kenmerken, kwaliteiten en knelpunten van het huidige landschap
  • 3. Aanreiken van handvatten ten aanzien van hoe met deze waarden om te gaan.

Deelgebieden en kenmerken per deelgebied

De RWK maakt verder een onderscheid in drie deelgebieden. Het plangebied ligt binnen het landschap van de grootschalige verveningen. De hoogveenontginningen vormen een uitzonderlijk monumentaal landschap. De lange kanalen die zwaar in de beplanting staan, de gestrekte linten en de ritmiek van kanalen, wijken en sloten verschaffen dit landschap voor Nederlandse begrippen een unieke monumentaliteit. Het landschap wordt gevormd door open ruimten van formaat. De kanalen en linten geven contour aan de ruimte. Zij ‘maken’ de ruimten. De ruimtelijke waardenkaart omvat een drietal kaarten.

1. Ruimtelijke aspecten, genoemd voor de omgeving van het plangebied:

  • a. Lintdorp Veendorp
  • b. Robuuste ruimte hoogveenontginning
  • c. Het Kanaal
  • d. Het beekdal van het Valtherdiep

2. Visuele aspecten. Er worden geen specifieke aspecten aangeduid voor de omgeving van het plangebied. Het gebied valt binnen de robuuste ruimte van de hoogveenontginning.

3. Elementen. Er worden geen specifieke elementen aangeduid voor de omgeving van het plangebied.

Behoud, versterking en ontwikkeling

De opgave is ontwikkelingen zodanig te geleiden dat kwaliteiten behouden blijven, knelpunten tot een oplossing worden gebracht, nieuwe kwaliteiten aan het landschap worden toegevoegd. Binnen het landschap van de grootschalige verveningen wordt ingezet op behoud van archeologische waarden/vindplaatsen, het stelsel van kanalen en wijken, de robuuste, krachtig omzoomde ruimten en de verscheidenheid aan details (waaronder sluizen). De afleesbaarheid van de gelaagdheid van het landschap en de levendigheid op en aan het kanaal kunnen bij ontwikkelingen versterkt worden.

Voor onderliggend plan betekent dit dat er bij de landschappelijke inpassing rekening moet worden gehouden met de genoemde ruimtelijke waarden. De opgave is ontwikkelingen zodanig te geleiden dat kwaliteiten behouden blijven, knelpunten tot een oplossing worden gebracht, nieuwe kwaliteiten aan het landschap worden toegevoegd. De opgave is ontwikkelingen zodanig te geleiden dat kwaliteiten behouden blijven, knelpunten tot een oplossing worden gebracht, nieuwe kwaliteiten aan het landschap worden toegevoegd. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied te waarborgen. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar 3.4 Landschappelijke inpassing. Hier wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling in overeenstemming is met de ter plaatse aanwezige gebiedskenmerken.

2.2.3 Erfgoednota Emmen 2017-2022

De Cultuurhistorische Waardenkaart Emmen betreft een inventarisatie en waardering van de cultuurhistorische waarden en bestaat uit een beleidskaart, bronnenkaart en een toelichtende rapportage. Aansluitend is een beleidsnota geschreven: Erfgoednota Emmen 2017-2022. De Cultuurhistorische Waardenkaart en Erfgoednota 2017-2022 zijn op 28 september 2017 door de gemeenteraad vastgesteld. De Cultuurhistorische Waardenkaart en Erfgoednota hebben de volgende systematiek gebaseerd op beleidskeuzes. Er is op basis van analyse gekozen voor een drietal beleidskeuzen met bijbehorend maatregelenpakket, welke afloopt naar zwaarte:

  • Beschermen;
  • Herkenbaar houden;
  • Respecteren en rekening mee houden.

De maatregel 'Beschermen' heeft betrekking op erfgoed met een zeer hoge cultuurhistorische waarde, zoals monumenten (Rijk, provincie, gemeente), monumentale en waardevolle bomen en beschermde dorpsgezichten (Rijk). 'Herkenbaar houden' heeft betrekking op gebieden en structuren van hoge cultuurhistorische waarde, te weten:

  • Landschappelijke gebieden en structuren van hoge cultuurhistorische waarde
  • Stedenbouwkundige gebieden en structuren van cultuurhistorische waarde
  • Groenstructuren van hoge cultuurhistorische waarde
  • Infrastructuur en waterwegen van hoge cultuurhistorische waarde

Ten slotte is de maatregel 'Respecteren en rekening mee houden' geformuleerd. Deze maatregel heeft betrekking op beeldbepalende bouwwerken, Canon van Emmen, inventarisatie ErfgoedNetwerk en tradities.

Met de Erfgoednota geeft de gemeente Emmen uitdrukking aan het belang dat cultuurhistorie voor de samenleving inhoudt. In de Erfgoednota benoemt de gemeente Emmen haar ambities ten aanzien van het benutten van de kansen en kwaliteiten van haar erfgoed. De gemeente Emmen herkent de krachtige stimulans die het erfgoed voor de gemeenschap in cultureel, sociaal-maatschappelijk, economisch en ruimtelijk opzicht kan bieden. Met het vaststellen van de erfgoednota wordt de betekenis van het erfgoed duurzaam verankerd in ieders denken en doen. De inspanningen die de gemeente Emmen verricht, hebben ook een wettelijke grondslag: de Erfgoedwet, de Archiefwet en de Omgevingswet verplichten gemeenten hun cultuurhistorische potentie te inventariseren en de omgang hiermee in ruimtelijke plannen op te nemen.

Vanuit de Cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat het plangebied volgens de erfgoedbeleidskaart is gewaardeerd als Hoog: ensembles en structuren. Hierbij hoort de beleidskeuze "herkenbaar houden". De volgende maatregel is daarmee van toepassing:

Herkenbaar houden van de historische en ruimtelijke structuur en samenhang

In de gemeente Emmen zijn er plekken die met elkaar verbonden zijn. Dat noemen we structuren. Dit zijn bijvoorbeeld wijken, dorpen, erven tuinen of groen, wegen en kanalen. Voorbeelden uit onze gemeente zijn:

  • een bomenrij langs een weg
  • een bepaalde opzet van een wijk.
  • de Veenkoloniën met lintdorpen zoals Emmer-Compascuum, de boerderijen en landerijen in rechte stroken vanaf het kanaal, de wijken en sloten, zoals bijvoorbeeld de Dikke Wijk in Nieuw-Amsterdam
  • de essen, zoals de Emmer Es, waar vroeger de akkers van de boeren uit Emmen lagen.

We maken verschil in vier soorten:

  • Landschappelijke gebieden en structuren van hoge cultuurhistorische waarde.
  • Stedenbouwkundige gebieden en structuren van hoge cultuurhistorische waarde.
  • Groenstructuren van hoge cultuurhistorische waarde.
  • Infrastructuur en waterwegen van hoge cultuurhistorische waarde

De belangrijkste kwaliteit van de categorie 1 tot en met 4 is de historische en ruimtelijke structuur en samenhang binnen een gebied. Het erfgoed dat valt onder de beleidskeuze ‘herkenbaar houden’ betreft grotere landschappelijke en stedenbouwkundige eenheden; de benadering is gebiedsgericht en beoogt dus geen kleine losse objecten te beschermen. De landschappelijke en stedenbouwkundige gebieden zijn gewaardeerd volgens de criteria kenmerkendheid / representativiteit, samenhang / ensemblewaarde, gaafheid, zeldzaamheid en zichtbaarheid.

2.2.4 Beleidsnotitie "Verruiming bouwpercelen intensieve veehouderij"

De gemeente Emmen heeft een aantal jaren geleden geconstateerd dat de intensieve veehouderijen in haar gemeente tegen de grens aanliepen van het ruimtelijk beleid. Door allerhande marktontwikkelingen is er sprake van een schaalvergroting bij de intensieve veehouderijen. Het ruimtelijke kader kon deze schaalvergroting niet accorderen.

De gemeente Emmen heeft daarop de Beleidsnotitie ‘Verruiming Agrarische Bouwpercelen Intensieve Veehouderijen’ opgesteld (vastgesteld 27 september 2007). In de notitie heeft de raad het kader aangegeven waaraan getoetst dient te worden, om medewerking te kunnen verlenen aan uitbreiding van stallen ten behoeve van de intensieve veehouderij.

Binnen het kwadrant “De Monden” van de gemeente Emmen kan de oppervlakte van een agrarisch bouwperceel vergroot worden naar 1,5 ha. Van dit bouwperceel mag maximaal 60% voor stalruimte bebouwd worden, wat resulteert in maximaal 10.000 m2. Hierbij moet sprake zijn van een gebleken noodzaak.

Aspecten waar concrete verzoeken tot verruiming aan afgewogen moeten worden zijn:

  • 1. De lokale landschappelijke-, cultuurhistorische- en/of natuurlijke kenmerken;
  • 2. Milieuwetgeving;
  • 3. De leefbaarheid van de omgeving;
  • 4. Het effect voor de verkeerssituatie.

2.2.5 Bestemmingsplan

De bestaande bedrijfslocatie waarop het bouwvlak is gelegen heeft de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden 1" met een bouwvlak en de bestemming Agrarisch met waarden – Grootschalige Veenontginningen daaromheen (ter plaatse van de uitbreiding) in het bestemmingsplan Buitengebied 2011 (vastgesteld op 30 oktober 2014). Het bedrijfsperceel heeft daarnaast de functieaanduiding: Specifieke vorm van agrarisch – niet grondgebonden bedrijfsactiviteiten. Ter plaatse is het op grond van dit bestemmingsplan toegestaan om een pluimveehouderij / intensieve veehouderij te exploiteren. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd, daarmee ook de uitbreiding van de stal met de uitloop. afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0005.png"

Figuur 2.3: Huidige verbeelding bestemmingsplan

Het huidige en toekomstige bouwvlak is bijna 1,5 ha groot. Aanwezig bouwvlak = 13.053 m2 + 1.831m2 (eerdere uitbreiding kippenstal) = 14.884 m2. Ten behoeve van de uitbreiding/aanbouw op het betreffende bestemmingsvlak dient er een strook van 1m x 40m = 40 m2 aan bouwvlak te worden toegevoegd. Dit resulteert in een totaal bouwvlak van 14.884 m2 + 40 = 14.924 m2 = < 1,5 ha

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0006.png" Het nu aangevraagde bouwplan in strijd met art. 5.2.2 onder e. van het bestemmingsplan omdat ter plaatse van de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - niet grondgebonden bedrijfsactiviteit", geldt dat de bestaande oppervlakte, bouwhoogte, goothoogte en dakhelling van bebouwing ten behoeve van deze doeleinden gehandhaafd dienen te blijven. De oppervlakte wordt vergroot met 520 m2 en is daarmee in strijd met het bestemmingsplan. Artikel 5.2.1 sub a bepaalt dat gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak moeten worden gebouwd. De aangevraagde uitloop ligt deels buiten het bouwvlak (voor ca 40%)

Binnen de bestemming Agrarisch-Grondgebonden 1 bestaat er geen wijzigingsbevoegdheid voor de vergroting van het huidige bouwvlak.

In 2014 is eerder een uitgebreide omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan verleend voor de het uitbreiden en aanpassen van een vleeskuikenstal. De toen bestaande vleeskuikenstal had een breedte van ca. 24 meter en een lengte van ca. 65 meter. De stal is toen verlengd met 40 meter.

De nu gevraagde uitbreiding van deze stal met een overdekte uitloop en erfverharding en landschappelijke inpassing zal hiernaast worden gebouwd, op gronden bestemd als 'Agrarisch met waarden - Grootschalige Veenontginningen'. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd en is erfverharding uitgesloten. De aanvraag om een omgevingsvergunning is daarmee in strijd met het bestemmingsplan. De aanvraag is wel passend binnen beleidsuitgangspunten voor de vergroting van het bouwvlak van een grondgebonden agrarisch bedrijf binnen het landschap van de grootschalige veenontginningen. Door de aanvrager is gekozen om het huidige uitbreidingsplan plan net als in 2014 te realiseren met een uitgebreide omgevingsvergunning.

Wij hebben beoordeeld of wij een omgevingsvergunning voor de activiteit 'gebruik in strijd met het bestemmingsplan' op grond van artikel 2.12 van de Wabo kunnen en willen verlenen. De regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied Emmen 2011' bieden geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om medewerking te verlenen aan het project. Ook artikel 4 van Bijlage II van het Bor biedt daarvoor geen mogelijkheid. Het project kan worden gerealiseerd als uw project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De motivering van ons besluit moet een goede ruimtelijke onderbouwing bevatten, als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 30 van de Wabo. Deze onderbouwing maakt deel uit van het besluit. In deze ruimtelijke onderbouwing is aandacht besteed aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De belangrijkste conclusie van deze ruimtelijke onderbouwing is dat het aangevraagde project ruimtelijk en stedenbouwkundig aanvaardbaar is. De aanvraag is passend binnen de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid, mits wordt voldaan aan eerder genoemde bepalingen. Bij de beoordeling van de aanvraag zijn de genoemde aspecten getoetst en betrokken bij de afweging omtrent medewerking. In de volgende hoofdstukken wordt hier nader op ingegaan.

2.2.6 Algemene verklaring van geen bedenkingen

Op grond van artikel 2.27, lid 1 van de Wabo en artikel 6.5, lid 1 van het Bor moeten wij een aanvraag voor de activiteit 'gebruik in strijd met het bestemmingsplan', die uitsluitend vergunbaar is op grond van artikel 2.12, lid 1, onder 30 van de Wabo, voorleggen aan de gemeenteraad. De gemeenteraad geeft vervolgens aan of deze wel of geen bedenkingen heeft tegen het project.

De gemeenteraad kan, op grond van artikel 6.5, lid 3 van het Bor, categorieën aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. De gemeenteraad heeft op 28 april 2011 besloten tot het aanwijzen van categorieën van gevallen waarin een verklaring niet is vereist. Het onderhavige project behoort tot een aangewezen categorie, waardoor in dit geval geen verklaring nodig is.

De gemeenteraad heeft op 20 december 2012 aan de Algemene verklaring van geen bedenkingen categorie 14 toegevoegd: vergroting agrarische bouwpercelen en/of staloppervlakte, voor zover in overeenstemming met de beleidsnotitie "Verruiming agrarische bouwpercelen".

2.2.7 Welstandsbeleid

Bouwwerken moeten voldoen aan 'redelijke eisen van welstand'. Een welstandscommissie beoordeelt bouwplannen aan de vooraf vastgestelde welstandscriteria opgenomen in de Welstandsnota. Op 30 juni 2016 heeft de gemeenteraad de Welstandsnota vastgesteld. In deze nota wordt vooraf bepaald wat de redelijke eisen van welstand zijn. Dit betekent dat gekeken wordt of een bouwplan qua uitstraling wel past bij de omgeving.

Het bestemmingsplan en de Welstandsnota zorgen samen voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Het welstandsbeleid heeft zo min mogelijk regels. Voor de meeste gebieden, ook voor dit gedeelte van het buitengebied waar het plangebied gelegen is, geldt het welstandsniveau 'welstandsluw'. Het project is door de welstandcommissie getoetst aan de bepalingen van de welstandsnota van de gemeente Emmen. De commissie heeft op 29 mei 2023 positief geadviseerd. Het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder d van de Wabo.

2.2.8 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Drenthe

In 2018 is de geactualiseerde Omgevingsvisie Drenthe vastgesteld. De Omgevingsvisie is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De Omgevingsvisie Drenthe is een integraal document. De Omgevingsvisie heeft voor de provincie vooral een interne binding. Dit betekent dat de provincie bij de uitoefening van haar taken aan de Omgevingsvisie gebonden is.

De missie van de provincie is het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij de kernkwaliteiten die de provincie rijk is. De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het provinciaal belang ligt in het behouden en waar mogelijk ontwikkelen van de kernkwaliteiten.

De kernkwaliteiten van Drenthe zijn uitgewerkt naar meer concrete indicatoren:

Kernkwaliteiten   Indicatoren  
Rust Stilte   Duisternis  
Ruimte   Openheid van het landschap  
Natuur   Biodiversiteit  
Landschap   Diversiteit
Gaafheid van landschappen  
Oorspronkelijkheid   Cultuurhistorische waarden
Archeologische waarden
Aardkundige waarden  
Veiligheid   Sociale veiligheid
Externe veiligheid
Verkeersveiligheid  
Noaberschap, Menselijke maat,
Kleinschaligheid (Drentse Schaal)  
Leefbaarheid
Passend bij Drenthe  

Naast de kernkwaliteiten van Drenthe is er de dynamiek van bedrijvigheid. Bedrijvigheid in Drenthe is van grote maatschappelijke en economische betekenis vanwege de werkgelegenheid en de vitaliteit van het platteland en de steden. De provincie acht bedrijvigheid van provinciaal belang en benoemt dit tot een kernwaarde.

Specifiek voor het landelijk gebied wil de provincie voldoende ontwikkelingsmogelijkheden bieden voor landbouw, recreatie en toerisme en andere niet-agrarische bedrijvigheid. Het regionale economische vestigingsklimaat is van provinciaal belang.

Op kaarten behorende bij de Omgevingsvisie Drenthe is bovenstaande nader weergegeven. Op een aantal kaarten (wanneer relevant) is het plangebied als volgt aangeduid:

Visiekaart en doelstellingen

Het plangebied ligt binnen het gebied dat op de visiekaart is aangeduid als 'Landbouwgebied'. De provincie Drenthe biedt de landbouw maximale speelruimte in deze gebieden. Bij de te nemen inrichtingsmaatregelen voor de landbouw wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de kernkwaliteiten. Ook mogen andere ontwikkelingen geen negatief effect hebben op de landbouw.

Daarnaast zijn de Veenkoloniën aangewezen als proefgebied voor de landbouw. Nieuwe ontwikkelingen op landbouwgebied kunnen als eerste hier worden geïntroduceerd. Het kan hierbij gaan om innovaties op het gebied van huisvesting, nieuwe teelten, efficiënt watergebruik, verduurzaming en duurzame energie.

Landbouw

Agrarische bedrijven die zich verder willen ontwikkelen, hebben vaak behoefte aan uitbreiding of nieuwbouw van bedrijfsgebouwen. Uitbreiding van het bouwvlak moet ruimtelijk worden ingepast. Hierbij moeten de kernkwaliteiten in acht worden genomen.

Uitbreiding van bestaande intensieve veehouderijen is volgens het provinciale beleid toegestaan. Het bouwvlak bij uitbreiding bedraagt maximaal 1,5 hectare. Bij winst voor milieu of dierenwelzijn en landschappelijke inpassing mag dit worden vergroot tot 2 hectare.

Kernkwaliteiten

Landschap

Het plangebied is gelegen binnen het landschap van de veenkoloniën. Behoud en versterking van de wijkenstructuur en openheid is als doel benoemd. Kenmerkend voor deze hoogveengebieden is de strakke verkaveling, de bebouwingslinten langs kanalen en monden en de grote, weidse ruimtes met wijken. Elke ontginning heeft bovendien zijn eigen specifieke kenmerken, waaraan de tijd en de manier van ontginning is af te lezen.

Van provinciaal belang is de samenhang tussen het systematische ontginningspatroon van grootschalige openheid met kenmerkende wijkenstructuur en de bebouwingslinten met daaruit opgaande percelen.

Aardkundige waarden

Aardkundige waarden zijn natuurlijke variaties in het aardoppervlak van geomorfologische, geologische, bodemkundige verschijnselen en/of processen die onder andere onder invloed van wind en water gebeuren. Onder aardkundige waarden vallen bijvoorbeeld veentjes, pingoruïnes, stuwwallen, zandkoppen en (micro en macro)reliëf.

Aardkundige waarden die bijdragen aan het specifieke Drentse karakter wil de provincie Drenthe behouden en waar mogelijk herstellen zonder daarbij het normale landbouwkundig gebruik te belemmeren. Voor de aardkundige waarden worden drie beschermingsniveaus onderscheiden die verschillen in de mate van inzet van de provincie. De hoge en het gemiddelde beschermingsniveau zijn van provinciaal belang.

Het plangebied is gelegen binnen een gebied met een generiek beschermingsniveau. In deze gebieden staat de provincie Drenthe ontwikkelingen toe, maar moeten wel de lokale aardkundige kenmerken voor de toekomst bewaard blijven.

Archeologie

De inhoudelijke kaart Archeologie geeft een overzicht van de archeologische waarden en verwachtingen die de provincie van provinciaal belang achten. In gebieden of terreinen met een archeologische verwachting op de archeologiekaarten, wordt gestuurd op een goede uitvoering van archeologisch onderzoek. Niet voor alle bodemingrepen is archeologisch onderzoek vereist. Dit hangt af van de omvang en aard van de ingreep, de waarde/verwachting van de locatie en het vrijstellingenbeleid zoals dat is uitgewerkt in de gemeentelijke archeologiekaarten.

Cultuurhistorie

Het beleid van de provincie Drenthe ten aanzien van cultuurhistorie is beschreven in het Cultuurhistorisch kompas. Het plangebied is gelegen binnen het gebied Emmen en haar venen. Het generieke beleid 'respecteren' is van toepassing. Het is bedoeld om de cultuurhistorische samenhang, zoals die is vastgelegd in de hoofdstructuur, te borgen. De ambitie voor de Veenkoloniën richt zich specifiek op het zichtbaar houden van de machinale veenwinning en veenverwerking op het Amsterdamscheveld en het Bargerveen, zowel in het landschap als in de bebouwing.

Provinciale omgevingsverordening Drenthe

Provinciale Staten van Drenthe hebben de Provinciale omgevingsverordening Drenthe vastgesteld. Ten aanzien van de ontwikkelingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen wordt aan een intensieve veehouderij een bouwvlak toegestaan van maximaal 1,5 hectare. Bij winst voor milieu of dierenwelzijn en landschappelijke inpassing mag dit worden vergroot tot 2 hectare. Het plan voldoet aan artikel 2.14 van het POV, relevant is lid 2 , 4 en 6 van deze bepaling.

Artikel 2.14 Intensieve veehouderij

  • 1. Een ruimtelijk plan voorziet niet in nieuwvestiging van intensieve veehouderijen en evenmin in het omschakelen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij. Dit geldt niet voor agrarische bedrijven waar door toepassing van de neventakbepaling,planologisch gezien de intensieve veehouderij niet meer als neventak kan worden beschouwd. Peildatum voor deze bepaling ligt op 20 augustus 2014.
  • 2. Een ruimtelijk plan staat aan een intensieve veehouderij een bouwvlak toe met een omvang van maximaal 1,5 hectare, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan, waarbij geldt dat de bedrijfsbebouwing– de bedrijfswoning uitgezonderd – uit 1 bouwlaag bestaat.
  • 3. Een ruimtelijk plan kan, onverlet de randvoorwaarden uit het tweede lid van dit artikel, hetbouwvlak voor een intensieve veehouderij vergroten tot maximaal 2 hectare, mits dit samengaat met winst voor het milieu en de landschappelijke inpassing berust op een landschappelijk inpassingsplan.
  • 4. In afwijking van het tweede en derde lid van dit artikel kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en mestsilo’s ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een intensieve veehouderij betekent.
  • 5. Een ruimtelijk plan kan voorzien in verplaatsing van intensieve veehouderijen naar de op kaart D9 aangegeven als ’Landbouwgebied’ in het geval sprake is van sanering, samenvoeging of het oplossen van een knelpunt binnen Drenthe, waarbij geldt dat:
  • a. het bouwvlak voor een intensieve veehouderij maximaal 1,5 hectare bedraagt, waaronder mede begrepen alle voor de bedrijfsvoering noodzakelijke voorzieningen en de landschappelijke inpassing ervan;
  • b. het bouwvlak, onverlet de randvoorwaarden uit sub a van dit artikellid, voor een intensieve veehouderij bij maatwerk en landschappelijke inpassing blijkens een landschappelijk inpassingsplan tot maximaal 2 hectare kan worden vergroot;
  • c. de bedrijfsbebouwing uit 1 bouwlaag bestaat.

6. In afwijking van het vijfde lid, onder a en b, kunnen landschappelijke inpassing, erfbeplanting uitgezonderd, en mestsilo’s in het belang van de bedrijfsvoering ook buiten het bouwvlak worden gesitueerd wanneer dit een aantoonbaar wezenlijke verbetering van de ruimtelijke inpassing van een intensieve veehouderij betekent.

7. In afwijking van het derde en vijfde lid onder b. kan, onverlet de randvoorwaarden uit het derde lid, een ruimtelijk plan in een groter bouwvlak voor intensieve veehouderij voorzien, indien:

a. de noodzaak daartoe aanwezig is voor een verdere verduurzaming (zoals bijvoorbeeld mest, energie en emissies) van het bedrijf en daarvoor voorzieningen nodig zijn (waaronder bebouwing) die ten gevolge van het ruimtegebrek niet kunnen worden gerealiseerd binnen het bouwvlak van 2 hectare, of

b. het gaat om samenvoeging in combinatie met sanering van een intensieve veehouderij. Het te saneren bedrijf moet grenzen aan het Natuurnetwerk Nederland of liggen in lintbebouwing of in een cluster van bebouwing;

c. waarbij geldt dat er sprake moet zijn van een aantoonbaar provinciaal belang, waarbij:

  • I. het uit te breiden bedrijf ligt in op locaties die op de bij deze verordening behorende kaart D9 zijn aangeduid als ‘Landbouwgebied’;
  • II. de te saneren locatie planologisch wordt weg bestemd;
  • III. er sprake is van winst op het gebied van milieu, volksgezondheid en dierenwelzijn op de uit te breiden locatie;
  • IV. er sprake is van landschappelijke inpasbaarheid die berust op een landschappelijkinpassingsplan;
  • V. de uitbreiding samengaat met investering in duurzame energievoorziening en;
  • VI. de uitbreiding van de oppervlakte van het bouwvlak met stallen niet groter is dan deoppervlakte die de te saneren locatie volgens een ruimtelijk plan bij recht mogelijk maakt

2.2.9 Rijksbeleid

Het ruimtelijke rijksbeleid heeft geen directe invloed op het plangebied.

2.2.10 Conclusie

Voor voorliggende ruimtelijke onderbouwing kan geconcludeerd worden dat het plan niet in strijd is met het geldende rijksbeleid. De uitbreiding van het pluimveebedrijf past binnen het gemeentelijke- en provinciale beleid, wanneer rekening wordt gehouden met bepaalde aspecten zoals de ruimtelijke, landschappelijke en milieutechnische inpassing. Hierop wordt nader ingegaan in de volgende hoofdstukken. Het provinciale omgevingsbeleid verzet zich niet tegen het plan. Zie hiervoor de gegeven reactie van de Provincie op het ontwerpplan in bijlage ..... De aanvrager heeft er voor gekozen om een uitgebreide WABO vergunning aan te vragen.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Algemeen

Het bestaande bouwvlak wordt overschreden door de bouw van de scharrelruimte van 840 m2 naast de bestaande stal aan de westzijde. Deze uitloop heeft een breedte van 8 meter en een lengte van 105 meter. Zie bijgevoegde schets. De emissiepunten/stalsysteem wordt in de gewenste situatie niet gewijzigd. .

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0008.png"

De bedrijfseconomische noodzaak heeft betrekking op uitbreiding om de continuïteit van het bedrijf te waarborgen. De uitbreiding gaat daarnaast gepaard met verbeteringen op het gebied van milieuwetgeving

Om in de toekomst een economisch gezond bedrijf te kunnen exploiteren is het noodzakelijk om de vleeskuikenhouderij te vergroten met een overdekte scharrelruimte. Een tweede aanleiding voor bedrijfsuitbreiding vormen de veranderende eisen die worden gesteld aan het houden van vleeskuikens uit het Besluit Huisvesting ten aanzien van emissie, en uit het Vleeskuikenbesluit ten aanzien van dierwelzijn. Na uitbreiding wordt aan deze eisen voldaan.

Bouwen

Om te kunnen produceren volgens 1 ster van het Beter Leven keurmerk is een overdekte uitloop noodzakelijk van minimaal 20% van het staloppervlak. Daarbij dient het aantal dieren in de stal worden verlaagd van 18-20 stuks/m2 naar circa 12 stuks/m2. In de gevraagde situatie is reeds sprake van een overbelaste geurhindersituatie. Er wordt wel een uitloop aangevraagd van ca 30% van het staloppervlak. Omdat de bestaande geurhindersituatie reeds overbelast is, kan een verdere toename van de geurbelasting niet worden toegestaan. Er zullen dus aanvullende maatregelen moeten worden getroffen om zorg te dragen dat in de gewenste bedrijfsopzet de geurbelasting geen sprake is van een toename van de geurbelasting. In het ingediende principeverzoek wordt niet uitgewerkt hoe dit wordt voorkomen. Indien een toename van de geurbelasting niet is uitgesloten, kan de voorgenomen wijziging niet met een milieuneutrale wijziging via een reguliere procedure worden geregeld maar zal een uitgebreide Wabo-procedure moeten worden gevolgd.

3.2 Stedenbouwkundig plan

De uitloopstal is qua nok- en goothoogte ondergeschikt aan die van de stal. Daarnaast komt de uitloopstal in het verlengde van de bestaande bebouwing te liggen en parallel aan de stal. De bebouwing blijft daarmee geclusterd. De uitbreiding van bebouwing zal wegvallen in de bestaande bebouwing van het erf. Daarmee heeft de uitbreiding geen negatieve impact op de omgeving en kan vanuit stedenbouwkundig oogpunt medewerking worden verleend.

Al eerder, in 2014, is een landschappelijk inpassingsplan vastgesteld, ook gemaakt door Westereenen voor de uitbreiding van de stal en aardappelschuur (Zaak Zaak-41464-2014). Deze landschappelijke inpassing is nog niet gerealiseerd. Dit inpassingspan wordt bij deze vergunning opnieuw vastgesteld en als voorwaarde opgenomen. Hierdoor wordt bij de uitbreiding met een uitloopstal er een 'verzachtende beplantingsrand' wordt aangelegd. Er is namelijk zicht op de stal vanaf de openbare weg en beplanting komt ten goede aan de biodiversiteit in het landschappelijke gebied. Er hoeft in dit landschapstype (open) geen hele zware beplanting komen.

Ruimtelijk gezien wordt met de uitbreiding van de vleeskuikenstal op een compacte wijze aangesloten op de bestaande bedrijfsbebouwing. De stal wordt verlengd met dezelfde goot- en bouwhoogte als het bestaande gedeelte van de stal. Om het bouwplan in te passen wordt de bestaande groensingel aan de zuidoostzijde van de stal verlengd. Deze groensingel functioneert tevens als wadi voor de opvang van regenwater. In de voorwaarden van de omgevingsvergunning is bepaald dat de groensingel moet worden aangelegd en instand worden gehouden.

Het bouwplan is toegevoegd als Bijlage 3.Het plan voorziet in het realiseren van meer vloeroppervlak voor het houden van hetzelfde aantal dieren als reeds milieu vergund en zal het bedrijf kunnen voldoen aan het Beter Leven Keurmerk. De geur- en ammoniak- en fijnstofemissies van de stallen neemt per saldo af. Verwezen wordt naar hoofstuk 4 van deze toelichting (onderzoeken en milieubeoordeling). De exacte wijze van landschappelijk inpassing wordt nader beschreven in paragraaf 3.4.

3.3 Ontstaansgeschiedenis

Zowel in de aanmeldnotitie als in de ruimtelijke onderbouwing moet een afweging worden gemaakt t.a.v. de landschappelijke en cultuurhistorische inpassing. In de erfinrichtingstekening wordt op perceelniveau aangegeven hoe de bebouwing wordt geplaatst (in samenhang met de bestaande bebouwing/erfinrichting) en welke groenvoorzieningen ter afscherming en inpassing worden aangelegd.

In de beleidsnota “Buitengebied Emmen, de gemeente Emmen in het perspectief van het landschap. Analyse in het kader van het bestemmingsplan buitengebied, 2012” worden de landschapstypen geclusterd tot drie hoofdvarianten. Te weten het esdorpenlandschap, kleinschalige veenontginningen en grootschalige veenontginningen. De hoofdlandschappen zijn vervolgens weer verder onderverdeeld aan de hand van de ontstaansgeschiedenis en de daarmee samenhangende karakteristieken.

Het perceel valt in gebied 26 Nieuw-Weerdinge en 30 Hondsrug Oost (bijlage 2 van het bestemmingsplan Buitengebied: “De Gemeente Emmen in het perspectief van het landschap”). Het gebied vormt daarbij de grens tussen deelgebied 26 en 30. De grootschalige blokontginningen ten oosten van de Hondsrug betreft een noordelijk deel dat oorspronkelijk tot de marke van Weerdinge behoorde en een zuidelijk deel bij de marke van Emmen en Westenesch behoorde. Het plangebied is gelegen in het noordelijke gebied. Dit gebied ligt in het grootschalige veenkoloniale gebied, al ligt de locatie al bijna op de overgang naar de (meer zandige/blokvormig verkavelde) Hondsrugzone – gebied 15). In dit grootschalige, open landschap aan de rand van de gemeente, liggen verspreid in die openheid grotere agrarische percelen. Tot 1950 werden met name de voorerven van de boerderijen meer beplant (ook hier staan 4 grote elzen op het voorerf) en lagen de achtererven van met name akkerbouwbedrijven meer open in het veld.

Zoals bij de meeste veenkoloniale ontginningen is met het afgraven van het veen, het egaliseren en geschikt maken van de dalgronden, de oorspronkelijke bodemkundige ondergrond niet meer herkenbaar. Het noordelijke gebied bestaat deels uit gronden die tot het voormalige beekdal van de Aa behoorden, deels uit het Weerdinger Veen en tenslotte een zuidelijk rechthoekig blok dat onderdeel uitmaakte van het Weerdinger Erfscheidenveen.

Het wijkenpatroon van de grootschalige veenontginning van het beekdal zijn hedendaags nog steeds zichtbaar in het landschap. Echter, de kaart met kadastrale grenzen laat zien dat hier ook nog sprake is van restanten van de historische smalle strookverkaveling. De beleidsnota gaat niet uitvoerig in op het meest noordelijk gelegen, smalle gedeelte van de Hondsrug-oost waar onderhavig plangebied is ingelegen. Hoofdelementen c.q. structuren in de omgeving van het plangebied zijn de weg en het kanaal. Het landschap is overwegend open in tegenstelling tot de kleinschalige veenontginningen.

3.4 Landschappelijke inpassing

Voor de landschappelijke inpassing van de nieuwe stal is een beplantingsplan opgesteld. Deze is toegevoegd als Bijlage 4. Op grond van het vigerende beleid zijn onderstaande uitgangspunten meegenomen bij de landschappelijke inpassing:

  • De ontwikkeling van het erf dient aan te sluiten bij de gebiedskenmerken van het grootschalige veenontginning landschap (grootschalig landschap met stelstel van kanalen en wijken, robuuste, krachtige omzoomde ruimten en verscheidenheid aan details);
  • Het erf moet in zijn aard en omvang aansluiten bij het bestaande gebruik van het gebied/gronden;
  • Het erf ligt nabij een kenmerkende structuur in het landschap nl. de weg en het kanaal;
  • Ter plaatse overheerst de openheid in het landschap, dit dient gehandhaafd te blijven;
  • Met de ontwikkeling kan worden ingespeeld op de kansen in het gebied, namelijk het herstellen van de perceelbeplanting en daarmee de verbetering van de landschappelijke inpassing van de ervan;
  • Gebruik van streekeigen beplanting/ aansluiten bij reeds aanwezige beplanting.

Om de concentratie aan bebouwing en voorzieningen te markeren- en het bedrijfserf te begrenzen wordt er beplanting langs de westzijde van het bedrijfserf toegevoegd. Deze landschappelijke inpassing wordt gedeeltelijk net buiten het bouwvlak aangelegd. Dit is aanvaardbaar vanwege de verbetering van de ruimtelijke inpassing van de veehouderij.

3.5 Bouwplan

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0009.png"

Figuur 3.1: Landschappelijke inpassing en bouwplan

  • In verband met het 'Beter Leven Kip keurmerk, 1 ster' wordt door toepassing wintergartens het leefoppervlak van de kuikens vergroot in de bestaande stallen;
  • Er worden minder dieren geplaatst. Het totaal aantal dieren wordt niet vergroot ten opzichte van de geldende vergunning.

De toekomstige plattegrondtekening is toegevoegd als Bijlage 2.

Het project is door de welstandcommissie getoetst aan de bepalingen van de welstandsnota van de gemeente Emmen. De commissie heeft op 29 mei 2023 positief geadviseerd. Wij nemen dit advies over. Het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder d van de Wabo.

Inpassing

Door uitbreiding van het bedrijf aan de westzijde (eigen gronden) is er geen sprake van een aantasting van gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. De afstand tussen het bedrijf en woningen verandert niet en leidt daarmee niet tot aantasting van het woon- en leefgenot. De bedrijfsuitbreiding is tevens akoestisch inpasbaar ten opzichte van de omgeving (zie paragraaf 4.3.4).

3.5.1 Verkeer

De aanvraag heeft betrekking op een bestaand agrarisch bedrijf met de bijbehorende verkeersbewegingen. De realisatie van de beoogde agrarische gebouwen zal niet leiden tot een toename in aantal verkeersbewegingen omdat de bedrijfsopzet (aantal dieren) wordt verminderd.

Via het kanaal is het bedrijf bereikbaar, het gebied is ontsloten via diverse provinciale wegen. Bezoekers op eigen terrein kunnen parkeren.

Hoofdstuk 4 Onderzoeken en milieubeoordeling

4.1 Archeologie

De aanleiding voor het opnemen van de archeologische waarden en verwachtingen in ruimtelijke plannen vloeit voort uit het Verdrag van Valletta, de Monumentenwet 1988, de Wet op de archeologische monumentenzorg 2007 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2010. In de Monumentenwet is vastgelegd dat bij het opstellen van een ruimtelijke plan rekening gehouden moet worden met de archeologische waarden in de bodem en dat deze beschermd moeten worden. Daarbij gaat het zowel om aanwezige als mogelijk te verwachten archeologische waarden.

Per 1 september 2007 is de Monumentenwet 1988 gewijzigd ter uitvoering van het verdrag van Malta. Het verdrag vraagt om bescherming van het archeologisch bodemarchief tegen bodemverstoringen als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De Monumentenwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van nieuwe planologische regelingen rekening te houden met de te verwachten en de aanwezige archeologische waarden. Behoud van die waarden is het uitgangspunt.

Op 30 mei 2013 is gemeentelijke beleidsadvieskaart Archeologie vastgesteld. Hierop is de locatie gelegen binnen een gebied met een lage verwachting op het aantreffen van archeologische waarden. Dergelijke gebieden zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Er hoeft geen archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden.

4.2 Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet vervangt de volgende drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (houtopstanden). Zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming zijn nu in de Wet natuurbescherming geregeld.

Gebiedsbescherming

In de Wnb, is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en/of beschermde natuurmonument en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert. Wanneer het aanhaken van toepassing is, moet het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning de aanvraag doorsturen naar het bevoegd gezag (Gedeputeerde Staten van de provincie) voor de Wet natuurbescherming met het verzoek om een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) af te geven. De aanvrager van de omgevingsvergunning is zelf verantwoordelijk om vooraf na te gaan of een voorgenomen activiteit of project invloed heeft op Natura 2000-gebieden en/of beschermde natuurmonumenten.

In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld. Het Natura 2000-gebied 'Bargerveen' is gelegen op een afstand van circa 16 kilometer van de veehouderij.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) -voorheen Ecologische Hoofdstructuur- is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is voor de provincie Drenthe uitgewerkt in de Provinciale Omgevingsvisie en de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening.Het plangebied valt niet binnen de aangewezen natuurgebieden van het Natuurnetwerk Nederland in de provincie Drenthe.

Het vragen van een vvgb is niet nodig (aanhaken is niet van toepassing) wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen (vergunning en/of ontheffing op basis van de Wnb is verleend) of gevraagd op het tijdstip waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning is aangevraagd. Verder is het aanhaken niet van toepassing wanneer voor het voorgenomen project geen vergunning en ontheffing op grond van de Wnb nodig is.

In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:

  • 1. een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden), en/of;
  • 2. een activiteit plaatsvindt waarbij in onvoldoende mate sprake is van het beschermen van inheemse plant- en diersoorten en het bewaken van de biodiversiteit tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten).

Wanneer het aanhaken van toepassing is, moet het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning de aanvraag doorsturen naar het bevoegd gezag voor de Wnb (Gedeputeerde Staten van de provincie) met het verzoek een verklaring van geen bedenkingen (v.v.g.b) af te geven.

De aanvrager van de omgevingsvergunning is zelf verantwoordelijk om vooraf na te gaan of een activiteit invloed heeft op Natura 2000-gebieden en/of beschermde flora en fauna.

Het vragen van een v.v.g.b is niet nodig (aanhaken is niet van toepassing) wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen (vergunning en/of ontheffing op basis van de Wnb is verleend) of gevraagd op het tijdstip waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning is aangevraagd. Verder is het aanhaken niet van toepassing wanneer voor het voorgenomen project geen vergunning en ontheffing op grond van de Wnb nodig is.

Soortenbescherming

Het uitgangspunt van de Wnb is dat er geen (opzettelijke) schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De soortenbescherming binnen de Wnb is daarbij opgedeeld in drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Bij beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen dier- en plantensoorten. Er dient een ontheffing op grond van artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 Wnb te worden aangevraagd voor een (bouw)werkzaamheid of activiteit indien het volgende van toepassing is:

  • uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van verstoring of doden van (een) beschermde soort(en);
  • het bouwwerk en/of de activiteit veroorzaakt beschadiging of vernieling van voortplanting- of rustplaatsen van dieren, danwel ontworteling of vernieling van plantensoorten;
  • er kan geen gebruik gemaakt worden van een vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming;
  • er kan niet gewerkt worden volgens een goedgekeurde gedragscode.

Houtopstanden

In de Wnb is de bescherming van houtopstanden buiten de, door de gemeenteraad vastgestelde, bebouwde kom geregeld. Doel is de instandhouding van het bosareaal. In de Provinciale Omgevingsverordening van de provincie Drenthe is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend.

Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom geldt de Bomenverordening gemeente Emmen 2011. In het bijbehorende bomenregister zijn de monumentale en waardevolle bomen en waardevolle houtopstanden vastgelegd. Zonder ontheffing is het verboden deze te kappen.

Op basis van de bevindingen kan geconcludeerd worden dat er in de huidige situatie, in het kader van de Wnb, geen procedurele gevolgen zijn voor het plangebied. Indien het rooien van de houtwal binnen het broedseizoen plaatsvindt, dient er voor de start gecontroleerd te worden of er geen broedgevallen aanwezig zijn.

4.2.1 Natuurwaarden in of nabij het plangbied

In het kader van Europese regelgeving zijn binnen Nederland Vogelrichtlijngebieden en Habitatrichtlijngebieden aangemeld (VHR-gebieden). Deze gebieden worden ook wel Natura 2000 gebieden genoemd en vallen onder de werkingssfeer van de Wet Natuurbescherming. Het college van GS van de provincie Drenthe is het bevoegd gezag ten aanzien van de Natura 2000 // Wet Natuurbescherming. Voor de veehouderij aan de het Weerdingerkanaal ZZ 68 te Nieuw Weerdinge heeft het college van GS van Drenthe in het verleden een vergunning op basis van de Wet natuurbescherming verleend voor een agrarisch bedrijf met o.a. 47.000 vleeskuikens. In de beoogde situatie is er sprake van een ruime afname van de ammoniakemissie / -depositie. De Aeriusverschilberekening (versie 2022 // vergund situatie WNB . gewenste situatie) is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Gelet op de resultaten van de bijbehorende AERIUS-berekening (bijlage 3), treden er in de beoogde situatie geen significant negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden op ten opzichte van de referentiesituatie. Gelet op het gestelde in de Wet natuurbescherming vormt het aspect stikstofdepositie dan ook geen weigeringsgrond voor het realiseren van de gewenste opzet.

De voorgenomen veranderingen vinden plaats op agrarische landbouwgrond. Er vinden geen sloopwerkzaamheden plaats eTen behoeve van deze nieuwbouw worden er geen sloten gedempt.

Het bedrijf ligt op ongeveer 1 kilometer ten westen van Nieuw Weerdinge. In de nabije omgeving zijn meerdere agrarische bedrijven gelegen. Het betreft een open en landelijk gebied. Op dit moment bestaat de grond waarop de nieuwe schuur wordt gebouw (het plangebied) uit bouwland/erf (behorende bij het agrarische bedrijf). Het bedrijf is continu en jaarrond in gebruik. Er is dagelijks bedrijvigheid. Doordat er gebouwd wordt op grond aansluitend op het erf zullen op deze landbouwgrond geen dieren nestelen of hun rustplaats hebben. Om dezelfde reden zal hier geen functioneel leefgebied voor beschermde soorten voorkomen. Eveneens is het bedrijf niet gelegen in een beschermd (natuur-) gebied zoals bijvoorbeeld NNN-natuurgebieden of beschermd grootschalig open landschap.

4.2.2 Onderzoek en conclusie

Het project kent in relatie tot de Wet natuurbescherming een aanleg- en gebruikersfase. Wat betreft de aanlegfase (bouw stal en wintergartens), er is een berekening met AERIUS-calculator uitgevoerd waarbij de stikstofbronnen tijdens deze fase in beeld zijn gebracht. In de berekening is uitgegaan van een 'worst case' benadering. De rijroute van het verkeer is weergegeven van de bouwplaats tot waar het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Voor de vrachtwagens is gerekend met een euro 5 dieselmotor. In de berekening is uitgegaan van 2 type bronnen. Stationaire bronnen, bijvoorbeeld de kraan en de betonpomp en de verkeersbronnen, deze bronnen bestaan uit vrachtwagens die materiaal brengen en bestelauto's van de aannemer die werkzaam zijn op de bouw. De bouwperiode voor de beoogde bedrijfsopzet bedraagt circa 4 maanden. Uit de resultaten van de AERIUS berekening blijkt dat het bouwen van de stal en realiseren van wintergartens niet zal leiden tot een significant negatief effect op de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar, de AERIUS-berekening is opgenomen in Bijlage 5 en Bijlage 6.

Ten slotte is op basis van de Wnb altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving. Concreet betekent dit dat bij (ruimtelijke) ingrepen gezorgd moet worden dat dieren niet verstoord of gedood worden en dat planten niet zomaar verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld broedende vogels, de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Daarbij geldt voor alle bouwactiviteiten dat er voorzorgsmaatregelen genomen dienen te worden, waardoor:

  • de aanvang van de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal van half maart tot beginaugustus) dient plaats te vinden;
  • een week voor de werkzaamheden beginnen, het plangebied kort gemaaid dient te worden, zodat het plangebied ongeschikt wordt voor kleine zoogdieren en ze de kans krijgen om te vluchten;
  • (wortel)schade aan de (oude) bomen wordt voorkomen en geen graafwerkzaamheden binnen de kroonprojectie van deze oude bomen kan plaatsvinden.

4.3 Milieu

Op 16 augustus 2022 is een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de volgende onderdelen:

  • Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening;
  • Bouwen;
  • Milieuneutrale wijziging voor het onderdeel milieu. In de begeleidende brief van 9 februari 2023 bij de ingediende aanvulling van 8 februari 2023 is dit onderdeel gewijzigd in een aanvraag omgevingsvergunning beperkte milieutoets(obm). De toelichting op de OBM bij deze aanvraag is bijgevoegd als Bijlage 7 van deze ruimtelijke onderbouwing.

4.3.1 Vormvrije m.e.r.

Besluit milieu- effectrapportage

Op 16 mei 2017 is de "Implementatiewet herziening m.e.r.-richtlijn" (Richtlijn 2014/52/EU) in werking getreden. De herziening betekent enkele wijzigingen in de Wet milieubeheer bij de m.e.r.-beoordeling en de vormvrije m.e.r.-beoordeling. In het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Concreet betekent dit dat de artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer voor alle in de bijlage van het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten onder onderdeel D (de D-lijst) van toepassing zijn. Het maakt niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft.

Betreft het een activiteit die onder de drempelwaarde van de D-lijst ligt, dan geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Betreft het een activiteit die boven de drempelwaarde van de D-lijst ligt, dan geldt een m.e.r.-beoordeling. Betreft het een activiteit die boven de drempelwaarde van de C-lijst ligt, dan geldt de m.e.r.-plicht.

In het Besluit milieueffectrapportage (hierna Besluit m.e.r.) is in onderdeel C van de bijlage onder categorie 14 opgenomen wanneer voor de activiteit het fokken, mesten of houden van dieren een plicht tot het opstellen van een milieueffectrapport geldt. Dit is onder andere het geval bij het oprichten en/ of uitbreiden en/of wijzigen van een installatie met meer dan:

  • 900 zeugen (Rav. cat. D1.2 . D1.3 en D 3 voor zover het opfokzeugen betreft)
  • 3.000 stuks vleesvarkens (Rav. cat. D 3)
  • 60.000 leghennen (Rav. cat. E 2)
  • 85.000 vleeskuikens (Rav. cat. E 5)

Verder is in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. onder categorie 14 opgenomen dat, in de aangegeven situaties, een milieueffectrapport moet worden opgesteld wanneer de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit geldt onder andere voor het oprichten en/ of uitbreiden en / of wijzigen van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren met meer dan:

• 40.000 stuks pluimvee (Rav1 cat. E, F, G en J)

In de huidige aanvraag is er sprake van een afname van het aantal vleeskuikens in een reeds bestaande stal. Gelet op voornoemde valt de inrichting / beoogde bedrijfsopzet niet onder de werkingssfeer van Besluit MER.

Op grond van de aanpassing van het Besluit MER d.d. 7 juli 2017 is een vormvrije MER-beoordeling benodigd als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen. Nu pluimvee (vleeskuikens / cat. 14) is vermeld op de D-lijst, is in onderhavige situatie een vormvrije MER-beoordeling benodigd. Dit betekent dat een milieueffectrapport moet worden opgesteld wanneer uit de beoordeling blijkt dat de voorgenomen activiteit leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

M.e.r.-beoordeling

De voorgenomen activiteit valt onder categorie 14 van de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Er geen sprake van het oprichten van een nieuwe installatie voor het houden van meer dan 40.000 vleeskuikens.

Conclusie

Er is geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen, die reden geven voor een nadere milieueffectbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer.

4.3.2 Activiteitenbesluit

Op 1 januari 2008 is Activiteitenbesluit in werking getreden. Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit uitgebreid met agrarische activiteiten. In het besluit zijn algemene regels opgenomen voor bedrijven die onder de Wet milieubeheer vallen en voorheen een milieuvergunning nodig hadden. Het Activiteitenbesluit maakt onderscheid tussen 3 categorieën bedrijven; type A, B en C. Type A bedrijven moeten zich houden aan de regels van het Activiteitenbesluit maar zijn niet meldingsplichtig ten aanzien van hun activiteiten. Type B bedrijven zijn wel meldingsplichtig ten aanzien van hun activiteiten. Voor type C bedrijven geldt dat zij (voor het onderdeel milieu) nog steeds een omgevingsvergunning moeten aanvragen. De vergunningsplicht (type C bedrijven) blijft gelden voor bedrijven met o.a. meer dan:

  • 40.000 stuks pluimvee (Rav. cat E3 t/m E 5)

Voor het agrarisch bedrijf aan het Weerdingerkanaal ZZ 68 te Nieuw Weerdinge is op 11 februari 2020 een vergunning op grond van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (kenmerk 70671-2019) verleend voor onderstaande veebezetting:

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0010.png"

In de onderstaande tabel is de gevraagde / gewenste veebezetting weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0011.png"

In de gewenste bedrijfssituatie worden de bovengenoemde grenzen niet overschreden, waardoor sprake is van een type B inrichting. Een OBM is vereist, nu er meer dan 50 stuks (40.000 vleeskuikens) zullen worden gehouden.

Melding Activiteitenbesluit

Gelet op artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding. De voorschriften voor het onderdeel milieu, die in deze vergunning zijn opgenomen betreffen aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling. Als bijlage bij de Wabo-aanvraag is een overzicht van de relevante milieuresultaten toegevoegd Bijlage 7.Omgevingsvergunning beperkte milieutoets. Er is een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) nodig voor de volgende activiteit(en):

OBM voor het aspect MeR-beoordeling

• het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor het houden van 40000 stuks pluimvee

OBM voor het aspect luchtkwaliteit

• het oprichten of wijzigen van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren of het uitbreiden van het aantal landbouwhuisdieren in een of meer diercategorieën voor zover sprake is van het houden van 40000 stuks pluimvee

Activiteiten

Er geldt een aantal specifieke milieuregels uit het Activiteitenbesluit voor de volgende activiteiten:

• Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer

• Opslaan en overslaan van stuifgevoelige goederen of zeven van grond

• Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank

• Opslaan van agrarische bedrijfsstoffen

• Telen van gewassen in de open lucht

• Sorteren van gewassen

• Het houden van landbouwhuisdieren bij een type B bedrijf

• Opslaan van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of bodembedreigende stoffen in verpakking

• Opslaan van vaste kunstmeststoffen

• Spaanloze, verspanende of thermische bewerking of mechanische eindafwerking van metalen

• Lassen van metalen

Daarnaast geldt een aantal algemene milieuregels:

• Algemene milieuregels voor lozen

• Algemene milieuregels voor emissies naar de lucht voor type A en B inrichtingen

• Algemene milieuregels voor bodembedreigende activiteiten

• Algemene milieuregels voor energiebesparing

Conclusie

  • de reeds ingediende aanvraag wordt voor het onderdeel milieu gewijzigd van een aanvraag voor een vergunning ingevolge artikel 2.1 lid 1 onder e, Wabo(revisievergunning) in een aanvraag om vergunning ingevolge 2.1 lid 1 onder i, Wabo (omgevingsvergunning beperkte milieutoets);
  • de aanvraag om omgevingsvergunning beperkte milieutoets (obm) moet eveneens worden beschouwd als een verzoek om gedeeltelijke intrekking van de onderliggende vergunning van 30 januari 2020 met kenmerk 70671-2019 voor het houden van 7000 vleeskuikens.

4.3.3 Richtlijn Industriele Emissies

Wettelijk kader

De Europese Commissie heeft de BBT-conclusies van de intensieve pluimvee- en varkenshouderij gepubliceerd op 21 februari 2017 in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze BBT-conclusies hebben betrekking op activiteiten die vallen onder de IPPC-categorie 6.6 van bijlage I bij de Richtlijn industriële emissies 2010/75/EU:

  • 6.6a: veehouderijen met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee
  • 6.6b: veehouderijen met meer dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens van meer dan 30 kg
  • 6.6c: veehouderijen met meer dan 750 plaatsen voor zeugen

In de gewenste situatie worden binnen onderhavige veehouderij nog maximaal 40.000 vleeskuikens gehouden. In deze gewenste situatie wordt de drempelwaarde (> 40.000) zoals opgenomen in de RIE/ IPPC-richtlijn niet overschreden. Onderhavige regelgeving is hierdoor niet (meer) van toepassing op onderhavige veehouderij.

4.3.4 Ammoniak

Directe ammoniakschade

Er zijn in de directe omgeving van de inrichting, voor zover bekend, geen voor ammoniak gevoelige land- en / of tuinbouwgewassen gelegen. Er is derhalve geen reden om aan te nemen dat, op dergelijke gewassen, directe schade als gevolg van de uitgestoten ammoniak zal plaatsvinden. Aan het gestelde in de Brochure Stallucht en Planten (1981) wordt dan ook voldaan. Hierbij kan worden opgemerkt dat in de gewenste situatie ten opzichte van de huidige/vergunde situatie sprake is van een ruime afname van de ammoniakemissie.

Wet ammoniak en veehouderij

Gedeputeerde Staten van Drenthe hebben, op grond van de Wav, binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) de zeer kwetsbare natuurgebieden vastgesteld. In de nabije omgeving van de veehouderij is geen EHS en/of zeer kwetsbaar natuurgebied gelegen. Het dichtstbijgelegen natuurgebied dat is aangewezen als geen voor verzuring gevoelig gebied op grond van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is gelegen op ongeveer 5,3 kilometer van de veehouderij. Het bedrijf ligt derhalve niet in een zeer kwetsbaar gebied of in de omliggende zone van 250 meter daaromheen. De Wet ammoniak en veehouderij is hierdoor op onderhavige inrichting niet direct van toepassing. Hierbij kan worden opgemerkt dat in de gewenste situatie ten opzichte van de huidige/vergunde situatie sprake is van een ruime afname van de ammoniakemissie. De ammoniakemissie afkomstig van onderhavige veehouderij vormt, gelet op het gestelde in de Wet ammoniak en veehouderij, dan ook geen weigeringsgrond voor het realiseren van de gewenste opzet.

4.3.5 Besluit emissiearme Huisvesting

Op 1 augustus 2015 is het Besluit emissiearme Huisvesting (BeH) van kracht geworden. In dit besluit is aangegeven dat de ammoniakemissie uit huisvestingssystemen niet hoger mag zijn dan de daarvoor geldende maximale emissiewaarde. Voor vleeskuikens zijn in tabel 1 van het Besluit ammoniak emissiehuisvesting veehouderij maximale emissiewaarden opgenomen van 0,045 kg voor huisvesting in bestaande stallen (voor 1/1/2015) en 0,035 kg in nieuwe stallen (0,024 kg vanaf 1/1/2020).

In de gewenste bedrijfsopzet blijft de bestaande stal ongewijzigd uitgevoerd met een emissiearm huisvestingssysteem => een warmtewisselaar voor het drogen van de strooisellaag (BWL 2010.13V7). Dit huisvestingssysteem heeft een ammoniakemissiefactor van 0,021 kg NH3 per vleeskuiken en voldoet hierdoor aan alle geldende normstelling. De gevraagde situatie voldoet hierdoor aan het gestelde in het Besluit Huisvesting / BBT.

4.3.6 Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Een handvat hierbij is door gebruik te maken van de systematiek die de milieuzonering kent. Milieuzonering is het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand.

Op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' is onderhavig bedrijf te typeren als 'fokken en houden van pluimvee' (SBI-code 0124). Het bedrijf valt daarmee in de milieucategorie 4.1. Het plangebied is gelegen in het omgevingstype 'rustig buitengebied'. De richtafstanden voor deze categoriebedrijven voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar bedragen respectievelijk 200, 50, 50 en 0 meter.

Het dichtstbijzijnde milieugevoelige object betreft beide naastgelegen woningen. Deze woningen zijn gelegen op een afstand van 50 meter (gemeten vanaf bouwperceel tot woning). Er wordt niet voldaan aan de richtafstand wat betreft het aspect geur, echter is in paragraaf 4.3.8. aangetoond dat wordt voldaan aan de gestelde geurnorm. Daartoe kan worden afgeweken van de indicatieve richtafstand, mede ook omdat het een bestaande situatie betreft en de uitbreiding van de stal met de uitloop is gelegen op 115 meter van de dichtsbijzijnde woning. Geconcludeerd kan worden dat wordt voldaan aan de overige richtafstanden, met beoogd project is dan ook geen overlast te verwachten op de aspecten geur, stof en geluid.

4.3.7 Bodem

In het toetsingskader voor de bodem wordt gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient inzicht te worden gegeven in de bodemkwaliteit, waarbij dient:

  • Beoordeelt te worden of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming;
  • Te worden beschreven welke beoogde maatregelen worden getroffen;
  • In de exploitatieopzet de kosten van eventuele saneringsmaatregelen te worden meegenomen.

De aanwezigheid van bodemverontreiniging kan gevolgen hebben voor het gebruik van de locatie. Niet alleen kan dit betekenen dat op het perceel gebruiksbeperkingen liggen. Ook kan het zo zijn dat de bodemverontreiniging de bestemming van de locatie in de weg staat. Het nemen van saneringsmaatregelen of het verwijderen van de bodemverontreiniging kan deze belemmering weer opheffen.

Op grond van de beschikbare informatie (Nota bodembeheer Emmen, 2012) wordt ter plaatse van het plangebied geen ernstige bodemverontreiniging verwacht. Het plangebied is reeds in gebruik als landbouwgrond. Daarbij wordt het toekennen van de gewenste ontwikkeling niet ingegeven voor de realisatie van een gebouw en bouwwerken met een verblijfsduur van langer dan twee uur per dag. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is dan ook niet nodig. Bovendien is van toepassing:

  • Op de beoogde locatie van nieuwe gebouwen/ bouwwerken heeft nooit eerder een dieselolietank gestaan;
  • Op de beoogde locatie van de nieuwe gebouwen/ bouwwerken, is in het verleden geen bebouwing aanwezig geweest.

4.3.8 Geluid

Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wet geluidhinder is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid. Bepalend is steeds de situering van geluidsbronnen ten opzichte van geluidsgevoelige bestemmingen zoals woningen en scholen. De Wgh gaat uit van zones langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Binnen dergelijke zones zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen alleen toegestaan indien de geluidsbelasting op de buitengevel onder of hoogstens gelijk is aan de voorkeursgrens- waarde. Ontheffing van de voorkeursgrenswaarde is toegestaan indien maatregelen om de geluidsbelasting op de buitengevels te beperken niet mogelijk zijn of onvoldoende helpen en indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.

Conclusie akoestisch onderzoek

De Wet geluidhinder (Wgh) vormt een belangrijk juridisch kader voor het Nederlandse geluidbeleid. Voor de huidige bedrijfsopzet (vergunde situatie 2020) is in het reeds een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek (zie rapport / bijlage 4) is gebleken dat in de huidige bedrijfsopzet wordt voldaan aan de geldende geluidsnormering. In de gewenste bedrijfsopzet is er sprake van een afname van het aantal vleeskuikens. Gelet op dit gegeven zal het aantal transportbewegingen niet toenemen. Daarnaast wordt de bedrijfsvoering niet noemenswaardig gewijzigd (extensivering van de activiteiten vanwege het verkleinen van de veebezetting). Gelet op voornoemde behoeft niet gevreesd te worden voor een toename van de geluidsbelasting en kan ongewijzigd aan de geldende normstelling / normstelling uit het Activiteitenbesluit worden voldaan.

4.3.9 Lucht

Op basis van de Wet luchtkwaliteit gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze eisen zijn doormiddel van grenswaarden voor diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die 'Niet in betekende mate' (NIMB) en 'In betekende mate' (IBM) bijdragen. Projecten die NIMB bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verder toetsing aan de grenswaarden worden uitgevoerd. In de gewenste situatie is er, ten opzichte van de bestaande rechten, sprake van een ruime afname van de emissie van fijn stof // PM10. In de Handreiking fijn stof en veehouderijen (Ministerie van VROM, mei 2010) is onder meer het volgende opgenomen:

Besluit NIBM

Als sprake is van een beperkte toename van de luchtverontreiniging die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht (NIBM), hoeft een project niet langer meer getoetst te worden. Dit volgt uit artikel 5.16, lid 1, sub c, van de Wet milieubeheer. Het Besluit NIBM legt vast wat geldt als niet in betekenende mate bijdragen. Na inwerkingtreding van het NSL op 1 augustus 2009, is de definitie van NIBM 3% van de grenswaarde, dat is 1,2 ƒÊg/m3 (artikel 2, lid 1, Besluit NIBM in samenhang met Bijlage 1A van de Regeling NIBM).

Regeling NIBM

In de Regeling niet in betekenende bijdragen is een lijst met categorieën van projecten opgenomen die NIBM bijdragen aan de luchtverontreiniging. Ook een aantal landbouwbedrijven zijn hierin opgenomen.

Vuistregel voor veehouderijen

Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Er zijn genoeg projecten die namelijk overduidelijk NIBM zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding/oprichting NIBM is. Deze staan in de onderstaande tabel, die gebaseerd is op de 3% NIBM grens, dus van na de inwerkingtreding van het NSL. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. De getallen in de tabel zijn worst-case genomen inclusief een veiligheidsmarge. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker NIBM. Wanneer de toename in emissie in grammen hoger is dan in de tabel opgenomen is het project mogelijk IBM.

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0012.png"

In onderhavige situatie is er binnen 100 meter van de kuikenstal geen toetsingspunt (woning van derden) gelegen. Gelet op bovenstaande is een uitbreiding van >> 581.000 g/jr nog acceptabel en aan ter merken als Niet in betekende Mate (NIBM).In de gewenste situatie is er sprake van een ruime afname van de emissie van PM10 (- 154.000 g/jr.) en is de bijdrage ruimschoots lager dan deze grenswaarde. Gelet op bovenstaande is de wijziging in de bedrijfsopzet aan ter merken als gNiet in betekende Mate (NIBM)h en kan worden gesteld dat de emissie van fijn stof geen belemmering vormt om de gewenste situatie te realiseren. Aan het gestelde in de Wet luchtkwaliteit wordt voldaan.

Als een ontwikkeling ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde toeneemt, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient er een onderzoek te worden uitgevoerd om de effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen.

Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring.

De wijze van berekening van de concentraties luchtverontreinigende stoffen is vastgelegd in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Omdat er geen significante ontwikkelingen in het plangebied of rondom het plangebied gepland zijn, zal de concentratie van de NOx en fijnstof niet veranderen. Hierdoor betekent de luchtkwaliteit geen belemmering voor het verlenen van een omgevingsvergunning. In de nieuwe situatie is er geen sprake van een uitbreiding, maar van een afname. In de nieuwe situatie neemt de uitstoot van fijn stof af ten opzichte van de vergunde situatie van 2.629,0 kg tot 2.057,0 kg per jaar. Deze situatie is daardoor met zekerheid te beschouwen als "niet in betekenende mate". Indien de fijnstofconcentratie door een project 'niet in betekenende mate' (NIBM) wijzigt, kan een verdere beoordeling achterwege blijven. De grens hierbij is vastgesteld op een toename van maximaal 3% van de wettelijke norm. In de Handreiking stof en veehouderij van mei 2010 is een vuistregel (zie onderstaande tabel) opgenomen waarmee bepaald kan worden of bij een uitbreiding of wijziging van een veehouderij sprake is van NIBM.

Afstand tot te toetsen plaats   70 m   80 m   90 m   100 m   120 m   140 m   160 m  
Totale emissie in kg/jr van uitbreiding/oprichting   324   387   473   581   817   1.075   1.376  

De fijnstof uitstoot neemt af van 2.629 kg naar 2.057 kg. De dichtstbijzijnde woning van derden is gelegen op ca 160 meter van het meest nabijgelegen emissiepunt van de pluimveestallen. Op basis van de voornoemde vuistregel en de afname van de veroorzaakte emissie, wordt geconstateerd dat de wijziging van fijnstofemissie als NIBM kan worden beschouwd.

4.3.10 Geur

Het bedrijf ligt in het buitengebied van Nieuw-Weerdinge, niet in een zogenaamd concentratiegebied c.q. reconstructiegebied op grond van de kaart uit bijlage 1 bij de Meststoffenwet. Omdat het bedrijf een type B bedrijf is, zijn met betrekking tot het aspect geur de regels uit het Activiteitenbesluit en de Regeling geurhinder en veehouderij maatgevend. Deze maken onderscheidt tussen dieren met en zonder geuremissiefactoren. Voor dieren zonder geuremissiefactoren (zoals bijvoorbeeld melkrundvee) gelden vaste afstanden, die moeten worden aangehouden tot geurgevoelige objecten. Voor dieren met omrekeningsfactoren (zoals bijvoorbeeld vleeskuikens) wordt door middel van het verspreidings-model V-Stacks de geuremissie omgerekend naar geurbelasting op de geurgevoelige objecten in de omgeving.

Gemeentes hebben de bevoegdheid middels een geurverordening afwijkende normen en afstanden t.o.v. het gestelde in het Activiteitenbesluit vast te stellen. De gemeente Emmen heeft voor deze omgeving nog geen geurverordening vastgesteld, waardoor enkel het Activiteitenbesluit en de Regeling geurhinder en veehouderij het geldende toetsingskader ten aanzien van het aspect geuremissie betreffen.

Toetsingskader

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor de Omgevingsvergunning (onderdeel milieu) voor het aspect geurhinder van dierenverblijven en veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Voor dieren met geuremissiefactoren (zoals vleeskuikens) wordt door middel van het verspreidingsmodel V-stacks de geuremissie uit de veehouderij omgerekend naar geurbelasting op de geurgevoelige objecten in de omgeving van de veehouderij. Op grond van de Wgv bedraagt de normstelling ter plaatse van een woning van derden in de lintbebouwing/ het buitengebied respectievelijk 2 of 8 OUE/m3.

De aanvraag is getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) en de Geurverordening veehouderijen gemeente Emmen.

Huidige situatie

Op 30 januari 2020 is een omgevingsvergunning verleend met kenmerk 70671-2019 voor het bestaande akkerbouw-en pluimveebedrijf op de locatie Weerdingerkanaal ZZ 68 te Nieuw-Weerdinge. Vergunning is verleend voor het houden van 47.000 vleeskuikens. In de vergunde situatie is sprake van een overbelaste geurhindersituatie. In de vergunde situatie bedraagt de geurbelasting als volgt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0013.png"

Nieuwe situatie

Initiatiefnemer wil de bestaande pluimveestal over de volle lengte van 105 m voorzien van een overdekte uitloop met een breedte van 8 m. De uitloop omvat ongeveer 30% van het staloppervlak. Om te kunnen produceren volgens 1 ster van het Beter Leven keurmerk is een overdekte uitloop noodzakelijk van minimaal 20% van het staloppervlak. Daarbij dient het aantal dieren in de stal worden verlaagd van 18-20 stuks/m2 naar circa 12 stuks/m2.

Omdat de bestaande geurhindersituatie reeds overbelast is, kan een verdere toename van de geurbelasting niet worden toegestaan. Er zullen dus aanvullende maatregelen moeten worden getroffen om zorg te dragen dat in de gewenste bedrijfsopzet de geurbelasting geen sprake is van een toename van de geurbelasting. In de gewenste situatie bedraagt de geurbelasting als volgt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0014.png"

Beoordeling dieren met geuremissiefactoren

Bij diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de geurregeling, moet met behulp van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' de geurbelasting op het geurgevoelige object worden bepaald. In afwijking hiervan moet tot geurgevoelige objecten bij een andere veehouderij en objecten die op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij een vaste afstand worden aangehouden (artikel 3, tweede lid, van de Wgv). Ook moet op grond van artikel 5 van de Wgv een afstand tussen het geurgevoelige object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden; deze afstand bedraagt tenminste 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom en tenminste 25 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten een bebouwde kom. Voor volwassen paarden is geen geuremissiefactor vastgesteld, hierdoor gelden op grond van de Wgv vaste afstanden. De afstand tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom moet minimaal 100 meter en buiten de bebouwde kom minimaal 50 meter bedragen. Aan beide afstanden wordt ruimschoots voldaan.

Volgens de Wgv geldt een minimaal in acht te nemen afstand tussen de dichtstbijzijnde gevel van een stal waarin dieren worden gehouden en de gevel van het dichtstbijzijnde voor geurgevoelig object. De afstanden bedragen 50, 25 en 25 meter voor respectievelijk een woning in de bebouwde kom (lint), woning buiten de bebouwde kom en een woning behorende bij een veehouderij van derden.

De maximale geurbelasting (norm) op een geurgevoelig object is vastgelegd in artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij.

Met behulp van het programma “V-stacks vergunning” is de geurbelasting berekend op gevoelige objecten, niet zijnde woningen bij veehouderijen, in de omgeving van de inrichting. Het gebruik van dit programma is verplicht gesteld in de ministeriële regeling bij de Wgv. Beoordeeld is of in de gewenste situatie kan worden voldaan aan de geldende geurnormering.

De invoergegevens en de uitkomst van de berekening van de gewenste situatie is weergegeven in een bijlage bij deze beschikking. Bij de opgestelde berekening is gebruik gemaakt van de meest recente versie van het programma V-Stacks Vergunning, uitgave 2020.

Binnen de inrichting is per diercategorie geen sprake van een uitbreiding van het aantal te houden dieren. De geurbelasting neemt af doordat de veestapel wordt verspreid over een groter staloppervlak. Er is sprake van een verbetering van de geurhindersituatie ter hoogte van naburige woningen van derden.

Er kan worden voldaan aan de geldende normstelling ingevolge de Wet geurhinder en veehouderij.

Toetsing geurhinder

De geurhinder, die afkomstig is van de inrichting, is getoetst aan de normen voor de geurbelasting uit de geurverordening en de afstandseisen uit de Wgv. Wanneer in de gevraagde situatie aan de normen voor de geurbelasting en/of afstandseisen wordt voldaan, dan vormt geurhinder uit dierenverblijven geen weigeringsgrond voor de aanvraag. Op grond van het Activiteitenbesluit bedraagt in niet-concentratiegebieden de normstelling ter plaatse van een (burger)woning van derden het buitengebied 8 OUE/m3 en ter plaatse van een woningin de bebouwde kom 2 OUE/m3.

In de vergunde situatie bedraagt de geuremissie afkomstig van de veebezetting 15.510 OUE. In de gewenste situatie bedraagt de geuremissie afkomstig van de veebezetting 13.200 OUE. Hierdoor is in de gewenste situatie derhalve sprake van een ruime afname van de geuremissie (- 2.310 OUE ). In dedirecte omgeving zijn diverse burgerwoningen van derden gelegen in de lintbebouwing aan het Weerdingerkanaal. Uit de berekeningen blijkt dat in de gewenste situatie ten opzichte van de vigerende situatie/vergunning uit 2020 sprake is van een ruime afname van de geurbelasting. Aan het gestelde in het Activiteitenbesluit wordt, nu sprake is van een afname van het aantal vleeskuikens en geurbelasting, voldaan.

Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, gelden conform artikel conform artikel 3.116 Activiteitenbesluit minimale vaste afstanden in plaats van geurbelastingsnormen. Deze minimale vaste afstanden bedragen als volgt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0015.png"

Voor zowel diercategorieën met geuremissiefactoren als diercategorieën zonder geuremissiefactoren gelden minimale gevelafstanden. Deze gevelafstanden worden gemeten tussen de dichtstbijzijnde gevel van een stal waarin dieren worden gehouden en de gevel van het dichtstbijzijnde voor geurgevoelige object. De minimale gevelafstanden bedragen als volgt:

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0016.png"

Uit bovenstaande blijkt dat kan worden voldaan aan de geldende afstandseisen tussen de gevel van een stal en de gevel van een woning van derden. Aan de normering en minimale afstandseisen zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Regeling geurhinder en veehouderij wordt voldaan. De regels uit het Activiteitenbesluit met betrekking tot het aspect geur vormen derhalve geen belemmering om de gewenste bedrijfsopzet te realiseren.

Zeer kwetsbaar gebied

Onder een zeer kwetsbaar gebied wordt verstaan: zeer kwetsbaar gebied in de zin van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen. Deze regelgeving heeft als doel de ammoniakuitstoot in heel Nederland terug te dringen (onder andere met het Besluit emissiearme huisvesting). Voor een aantal gebieden geldt extra beleid: het doel is de ammoniakdepositie op die gebieden - de zeer kwetsbare gebieden- te verminderen.

Het dichtstbijzijnd 'zeer kwetsbaar gebied' is gelegen op een afstand van circa 8 kilometer, gemeten vanaf de veehouderij. De WAV vormt geen belemmering voor de beoogde bedrijfsopzet.

Conclusie geurhinder dierenverblijven

Aan de normering en minimale afstandseisen zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Regeling geurhinder en veehouderij wordt voldaan. De regels uit het Activiteitenbesluit met betrekking tot het aspect geur vormen derhalve geen belemmering om de gewenste bedrijfsopzet te realiseren.

4.3.11 Externe veiligheid

Externe veiligheid betreft de beheersing van risico's en richt zich op het gebruik, de opslag, de productie van gevaarlijke stoffen en het transport van gevaarlijke stoffen. Voor inrichtingen is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van toepassing. Bij externe veiligheid wordt onderscheidt gemaakt tussen plaastgebonden risico en groepsrisico.

In de directe omgeving van het plangebied is slechts één risicopunt aanwezig . Het dichtstbijgelegen punt betreft een buisleiding van de Gasunie. De leiding is gelegen op een afstand van circa 220 meter. Het plangebied is verder niet gelegen in het invloedsgebied van een Bevi-inrichting, veiligheidscontouren van defensie of het invloedsgebied van een basisroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

In het kader van regelgeving in relatie tot Externe Veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de uitbreiding van de pluimveehouderij op deze locatie.

Kabels en leidingen 

Op grond van het vigerende bestemmingplan zijn geen grote kabels dan wel leidingen aanwezig in het plangebied, deze krijgen namelijk veelal een dubbelbestemming toegewezen. Ook op geraadpleegde kaarten van Gasunie, Tennet en Waterbedijf blijkt dat er ter plaatse geen sprake is van de aanwezigheid van (ondergrondse) leidingen ter hoogte van het plangebied. Voor de aanvang van de werkzaamheden zal eveneens een klic-melding worden ingediend.

4.4 Waterparagraaf

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0017.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0114.Zaak265244-V301_0018.png"

4.4.1 Inleiding

Uitgangspunt bij een watertoets is dat bij een bouwplan moet worden voorkomen dat grond- of oppervlaktewateroverlast ontstaat en de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater niet negatief wordt beïnvloed. In deze waterparagraaf wordt beschreven hoe het huidige waterhuishoudkundig systeem ten behoeve van de nieuwe ontwikkeling is ingericht en of fysieke omstandigheden voor het gebied gelden en of speciale functies voor het plangebied gelden. Naast een beschrijving van de waterhuishoudkundige consequenties van het plan en de stedelijke wateropgave heeft het het wateradvies van het waterschap een duidelijke plaats gekregen.

4.4.2 Ligging plangebied

Binnen dit project worden geen wooneenheden gerealiseerd. De toename van het verharde oppervlak bedraagt minder dan 1500 m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een primair watergebied of een stedelijk watercorridor. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.

4.4.3 Waterhuishouding

Zowel provincie, het waterschap als de gemeente stellen waterbeleid vast. De belangrijkste kaders zijn de Omgevingsverordening en -visie van de provincie Drenthe, het Waterbeheersplan van het waterschap Hunze en Aas, het gemeentelijk rioleringsplan en het Waterplan van de gemeente Emmen.

4.4.4 Afvoer van water

Hemelwater

Het beleid van de gemeente Emmen en het waterschap is gericht op afkoppelen van hemelwater van de riolering en te lozen op oppervlaktewater of zo mogelijk te laten infiltreren in de bodem. Op deze manier wordt waar mogelijk geprobeerd extra ruimte voor water te maken. Ook wordt om wateroverlast te voorkomen naar extra afvoermogelijkheden gezocht. Probleem wat optreedt bij diverse initiatieven, is dat een deel van het gebied in een grondwaterbeschermingsgebied ligt. Infiltreren is daarom niet altijd toegestaan. Voor lozing van het hemelwater dient in principe waterberging op eigen terrein gerealiseerd te worden. Als regel wordt genomen dat 10% van het te verharden oppervlak moet worden ingericht voor hemelwaterberging. In deze situatie kan bergingscapaciteit gevonden worden in de aanleg van een zaksloot ten oosten van het perceel met een inhoud van 120 m3. Deze ligt op eigen grond.

Huishoudelijk afvalwater

Huishoudelijk afvalwater dient te worden geloosd op de gemeentelijke riolering. Er is een gescheiden rioolstelsel aanwezig waarop de afvoer van huishoudelijk afvalwater is aangesloten.

Bedrijfsafvalwater 

Het bedrijf loost geen bedrijfsafvalwater op de gemeentelijke riolering. Afvalwater uit stallen wordt geloosd op een bezinkput.

4.4.5 Wateradvies waterschap

Via www.dewatertoets.nl (korte procedure) is het Waterschap Hunze en Aas op de hoogte gebracht van het plan. Een afschrift van de watertoets is toegevoegd als Bijlage 10 Watertoets. Hiermee is het watertoets-proces goed doorlopen.
 

Hoofdstuk 5 Maatschappelijke betrokkenheid

Op de gevraagde vergunning is de uitgebreide procedure van toepassing. Het ontwerpbesluit is toegevoegd als Bijlage 8 en Bijlage 9. Deze Ruimtelijke Onderbouwing maakt onderdeel uit van dit te nemen besluit. De terinzagelegging van het ontwerpbesluit is op gepubliceerd in de Staatscourant en Emmercourant (zie Verbroken kruisverwijzing naar 'Publicatie ontwerpomgevingsvergunning' ). Met ingang van ........ heeft het ontwerp van de vergunning met het ontwerp van de verklaring van geen bedenking voor zes weken voor een ieder ter inzage liggen. Gedurende deze termijn konden zienswijzen worden ingediend. Wij hebben een reactie ontvangen van

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

De planonwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de aanvrager van de omgevingsvergunning. Daarmee is de economische uitvoerbaarheid voldoende geborgd. Planschade kan bij dit wijzigingsplan op voorhand niet geheel worden uitgesloten. Om deze reden is een planschaderisico-overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten.